Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral wanneer de voorste ledematen tot steun dienen van het voorste gedeelte van het lichaam of slechts tot voortbeweging. Wanneer zij echter ook tot graven, klimmen, vliegen enz. gebezigd worden, zijn zij

Fig. 7.

ui ft-y

Skelet van den vliegenden hond.

krachtig ontwikkeld. De achterste ledematen zijn in den regel veel vaster met den romp verbonden dan de voorste; hij vormt bij alle zoogdieren, de walvischachtigen uitgezonderd, met de zijdelingsche deelen van het heiligbeen een gesloten gordel. De ledematen, aan den schouder en het bekken verbonden, zijn bij de zwemmende zoogdieren in vinnen of vinpooten veranderd, bij de vleermuisachtige dieren krijgen de voorste ledematen een aanmerkelijke uitbreiding, zoodat zij het dier tot fladderen in staat stellen. Het aantal teenen bedraagt nooit meer dan vijf, wel minder. Bij de eenhoevigen is bijv. slechts een ontwikkelde teen voor-

Fig. 8.

Schoudergordel van het vogelbekdier.

handen, de overige zijn meest rudimentair en raken den grond niet. Wanneer de groote teen of duim tegenover de andere teenen geplaatst worden en de beenderen en spieren op een bepaalde wijze zijn gerangschikt, dan spreekt men van een hand. Bij den grijpvoet van de apenkan de binnenteen wel tegenover de andere teenen ge¬

plaatst worden, het andere kenmerk ontbreekt echter, zoodat men in dit geval van een voet spreekt. Naar de wijze, waarop de ledematen bij hetloopen in aanraking komen met den grond, onderscheidt men zoolgangers (plantigrada), halfzoolgangers (digitigrada) en teengangers (unguligrada). Het centraal-

orgaan van het zenuwstelsel onderscheidt zich door een aanzienlijke hersenmassa. Haar halfronden (fig. 11, 12, 13) vullen de schedelruimte bijna geheel, de groote hersens bedekken gedeeltelijk de kleine. Haar oppervlakte is bij buideldieren en vogelbekdieren effen, bij de hooger bewerktuigde zoogdieren van groeven en kronkelingen voorzien.

Fig. 9.

Middelteen: 1. Tapir, 2. Hond, 3. Paard, 4. Coryphodon.

Alle zoogdieren bezitten oogen, zij zijn echter bij zoogdieren, die onder den grond leven, zeer klein en liggen soms diep onder de huid, zoodat zij misschien niet voor het zien dienen. Behalve het bovenste en onderste ooglid vindt men bij vele zoogdieren een knipvlies, dat minder ontwikkeld is dan bij de vogels en soms geheel in den binnensten ooghoek teruggetrokken is. Het gehoorwerktuig onderscheidt zich vooral van dat der vogels door het bezit van een

oorschelp, die alleen ontbreekt bij dieren, die in het water of onder den grond leven; eerstgenoemde kunnen de ooren sluiten door een soort van ^leppen. In het inwendig oor is steeds een slakkenhuis voorhanden. De neus dient bij vele zoogdieren tot woelen, tasten en grijpen. Bij in het water onderduikende dieren kan zij door spieren of ook door bijzondere kleppen gesloten worden; bij de walvischachtigen dient de neus voor het ademen. De tastzin zetelt door de zenuwvertakkingen, aan de uiteinden der ledematen, verder aan den tong, den snuit en de lippen, in welke laatste doorgaans lange, borstelvormige tastha-

ren met eigenaardige zenuwvertakkingen zijn ingeplant. Ook in de vlieghuid der vledermuizen en in de aanhangselen van hun neus en ooren zetelt een fijn tastgevoel.Voor den smaak dient vooral de wortel van de tong, verder ook het zachte gehemelte.

De spijsverteringswerktuigen der zoogdieren onderscheiden zich door een meer samengestelde in-

Voorpoot van de mol.

Sluiten