Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedroegen de inkomsten van den staat 25 203 156, de uitgaven 22 972 083 franc. De activa bedroegen 122 060 683, de passiva 83 006 300 franc. Zie verder het artikel over de stad Zurich.

Zurich. de hoofdstad van het Zwitsersche kanton Zurich (zie aldaar), ligt in een dal tusschen den Ütliberg en den Zurichberg, aan beide zij den van de Limmat, op de plaats, waar deze het Meer verlaat, nabij den mond der Sihl en aan een aantal spoorwegen. De Groote Stad, op den linker oever van de Limmat aan de helling van den Zurichberg gebouwd, heeft nauwe en steüe straten, de Kleine Stad, op den linker oever van deze rivier voor het grootste deel in het dal gebouwd, heeft breede nieuwe wijken. Beide zijn door vijf bruggen verbonden; van deze is de Kaibrug de bovenste. Tot de belangrijkste gebouwen van Zurich behooren: de Groszmünster, een eenvoudige, op pilaren rustende basilica uit de 12'lc en 13de eeuw, met twee onvoltooide, in 1779 met achthoekige kappen gedekte torens, in welk gebouw Zwingli met zijn hervormingswerk begon; sedert 1851 verheft zich op de plaats van den kruisgang een meisjesschool, de Fraumünster, een gebouw in spitsboogstijl uit de 13de eeuw, de kerk der Augustijnen met fraaie altaarstukken, de St. Pieterskerk, waaraan Lavater gedurende 23 jaar verbonden was, en de Predikheerenkerk, verder de kantonnale bibliotheek, het raadhuis, in 1699 gesticht, de gerestaureerde Waterkerk met de stedelijke bibliotheek, het Zwinglimuseum en het monument voor Zwingli aan de zuidzijde, de schouwburg, het krankzinnigengesticht en een aantal gebouwen voor het onderwijs. Hiertoe behooren in de eerste plaats het polytechnicum van het Eedgenootschap, dat in 1864 naar een ontwerp van Semper werd voltooid, met een prachtige vestibule en afzonderlijke gebouwen voor scheikunde, natuurkunde, werktuigkunde, boschbouw, landbouw, sterrenkunde en proefstations, en de kantonnale universiteit met gebouwen voor natuurkunde, scheikunde, klinieken enz. De voornaamste gebouwen van de Kleine Stad zijn: het stadhuis, het postkantoor, de beurs, het nieuwe concertgebouw, de Urania (een particuliere sterrenwacht) en een groot station, waarvoor een gedenkteeken voor Eseher is geplaatst. In 1893 is Zurich met de 11 zoogenaamde buitengemeenten tot één gemeente vereenigd: het aantal inwoners bedraagt (1907) 178 106. De stad is administratief in 5 wijken verdeeld. Zij is het middelpunt voor de nijverheid van het kanton Zurich en van den handel van geheel oostelijk Zwitserland. Verder is zij een centrum voor kunsten en wetenschappen. In 1906 werd de universiteit door 1562 studenten en toehoorders, waaronder 454 vrouwelijke, bezocht, het polytechnicum door 1281 studenten en 919 toehoorders. Zurich bezit verder een school voor bosch- en landbouw, een kantonschool, een museum, een museum voor Zwitsersche oudheden, een botanischen tuin, een museum voor schilderijen en beeldhouwwerk en een gebouw voor kunst. De stad is de zetel van de kantonnale regeering, van een aantal andere officiëele lichamen en van verschillende genootschappen voor kunsten «n wetenschappen. Door haar prachtige ligging wordt zij veel door vreemdelingen bezocht. Tot de meest bezochte wandelingen behooren: de Plattspits met gedenkteekens voor Geszner en Baumgartner, de Lindenhof, de Katze in den botanischen

tuin, de stadhuistuin, de Alpenkade, het Belvoirpark, de Bauschanze, de Hohe Promenade met een gedenkteeken voor Nageli enz. Ook op den Zurichberg en den Ütliberg, die sedert 1875 door een spoorweg met de stad is verbonden, vindt men fraaie wandelingen. In 1906 bedroegen de stedelijke inkomsten 16138 006 de uitgaven 17 222 305 franc.

Zurich was ten tijde van den Romeinen een tolplaats, Turicum genaamd; in den eersten tijd van de Middeleeuwen wordt meermalen van de koninklijke burcht Castrum Turegum melding gemaakt. Volgens de sage was Zurich een geliefkoosde verblijfplaats van Karei den Groote, aan wien de stichting van het koorheerenstift zum Groszmünster wordt toegeschreven. Zijn kleinzoon Lodewijk de Duitscher stichtte in 853 de Fraumünsterabdij voor zijn dochter Hildegard. Het Groszmünster en het Fraumünster bezaten beide het recht van immuniteit en stonden met hun bezittingen onder een rijksvoogd. Na het uitsterven van de Zahringers (1218), die de rijksvoogdij over Zurich als erfelijk leen bezaten, werd Zurich een rijksonmiddelbare stad; de abdis werd in den vorstenstand verheven. Langzamerhand gingen de meeste rechten van de abdis over aan de stad. In 1336 ontstond er een revolutie, doordat de handwerkslieden ook aandeel aan het bestuur wenschten. Onder leiding van ridder Rudolf Brun werd de raad van zijn macht beroofd en een democratische grondwet ingevoerd. Brun werd burgemeester en het dertiental gilden met de constapel» de vertegenwoordigers van de aanzienlijke geslachten, in de burgerschap opgenomen.Nadateensamenzwering van den adel door den Zuricher Moordnacht (23 Februari 1350) op een bloedige wijze onderdrukt was, voegde zich Zurich door een eeuwig verbond met Uri, Schwyz, Unterwalden en Luzern (1 Mei 1351) bij het Eedgenootschap.

Met behulp daarvan doorstond Zurich in 1351 en in 1352 belegeringen van hertog Albrecht den Wijze en in 1354 van keizer Karei IV. Weldra kreeg de stad aanzienlijke bezittingen, doordat zij achtereenvolgens de voogdijen aan het Meer van Zurich (1402), Greifenzee (1402), Gruningen (1408), Regensberg (1409), het graafschap Kieburg (1424) en de stad Winterthur (1476) aankocht of in pand nam, terwijl zij tevens een deel van het Oostenrijksche Aargau veroverde (1415). Doordat zij aanspraak maakte op het gebied van het in 1436 uitgestorven geslacht Toggenburg, kwam zij in 1439 in strijd met Schwyz en Glarus en vervolgens met het Eedgenootschap, daar zij zich niet aan diens uitspraak wilde onderwerpen. In dezen tijd moest Zurich niet alleen afstand doen van alle aanspraken op Toggenburg, maar ook nog gedeelten van zijn gebied aan Schwyz en Glarus afstaan (1440). Daarom verbond het zich in 1442 met keizer Frederik III van Oostenrijk tegen de Eedgenooten, die dea inwoners van Zurich bij de kapel St. Jacob aan de Sihl een beslissende nederlaag toebrachten (1443). De stad werd in den zomer van 1444 door 20 000 Eedgenooten gedurende 60 dagen belegerd, die eerst aftrokken, toen 1500 van hun manschappen gesneuveld waren tegen de Armagnaken, die door den keizer tot hulp van de Zurichers waren opgeroepen. Eerst den 13den Juni 1450 kwam een verdrag tot stand, waarbij Zurich het verbond met Oostenrijk opzeide en het verloren grondgebied herkreeg. Na de oorlogen met de Bourgondiërs, waarin

Sluiten