Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de burgemeester Hans Waldmann zich bijzonder onderscheidde, kreeg Zurich den meesten invloed in het Eedgenootschap. Een opstand van de landbewoners aan het Meer werd door Waldmanns vijanden tot voorwendsel genomen om hem op het schavot te brengen (6 April 1489). Daarna beriepen zich overheid en ingezetenen van Zurich op de beslissing der Eedgenooten, en dezen brachten tusschen de beide partijen een overeenkomst tot stand, met den naam van „Waldmannsche Spruchbriefe" bestempeld, waarbij aan de landlieden onderscheiden rechten werden verleend. In 1519 maakte UlrichZwingli te Zurich een begin met de Hervorming.Daardoor ontstond in 1529 een oorlog tusschen Zurich en de R. Katholieke kantons Luzern, Uri, Schwyz, Unterwalden en Zug, waarin eerstgenoemde den llden October 1531 in den slag bij Kappel de nederlaag leed. Een nieuwe strijd om het geloof ontstond in 1656 en in 1712, waarin Zurich door Bern werd bijgestaan. In 1794 ontstonden er onlusten aan het Meer van Zurich, vooral in de gemeente Stafa, die in 1795 door de regeering met gestrengheid werden onderdrukt. Eerst in 1798, toen de Franschen over de grenzen van Zwitserland trokken, kwain er een einde aan het aristocratisch bestuur en werden de rechten van de landbewoners aan die van de stedelingen gelijk gemaakt. De Helvetische grondwet maakte het kanton tot een distrikt van de Helvetische republiek. In den strijd van den 2den tot den 4den Juni 1799 versloeg bij Zurich aartshertog Karei de Franschen onder Masséna en deze laatste van den 25stcn tot den 26sten September de RussischOostenrijksche troepen onder Korsakow. Na het invoeren van de Fransche mediatie-acte van 1803 kreeg de aristocratische partij het overwicht in den Grooten Raad. Een poging tot verzet (Maart 1804) tegen deze mediatieregeering, werd met behulp van andere kantons verijdeld.

Bij de opheffing van de mediatie-acte in 1813 verzette Zurich zich met goed gevolg tegen Bern, dat de toestanden voor 1798 weder in het Eedgenootschap wilde herstellen. Later werd de kantonnale grondwet in aristocratischen geest gewijzigd, zoodat de stad met 10 000 inwoners 130, het land daarentegen met 200 000 bewoners slechts 82 vertegenwoordigers in den Grooten Raad had. Na de Fransche Julirevolutie werd er een groote volksvergadering te Uster (22 November 1830) gehouden, waarop de grondslagen van een nieuwe grondwet werden vastgesteld. Volgens deze zou de stad een derde en het land twee derden van de leden van den Grooten Raad kiezen, terwijl de zittingen van dezen openbaar zouden zijn. Tevens werden erkenning van de volkssouvereiniteit, vrijheid van drukpers, scheiding van rechtsbedeeling en administratie, het recht van petitie en van vergadering, afschaffing der gilden, volkomen gelijkheid van alle staatsburgers voor de wet, hervorming van het onderwijs enz. geëischt. De regeering gaf toe en een nieuwe Groote Raad ontwierp een grondwet in dezen geest, die den 20Bten Maart 1831 met bijna algemeene stemmen door het volk werd aangenomen. Door een liberale regeering werden onder leiding van Keiler een groot aantal hervormingen ingevoerd, waarvan echter sommige bij het volk ontevredenheid deden ontstaan, die door de geestelijkheid, verbitterd door de godsdienstigvrijzinnige richting van de regeering, werd aangewakkerd. Toen in 1839 David Strausz als hoogleer¬

aar aan de universiteit te Zurich beroepen werd,werd er een geloofscomité gevormd, dat vernietiging van dat beroep en de afschaffing van onderscheiden nieuwe zaken op het gebied van school en kerk eischte. Ofschoon de regeering Strausz nog vóór het aanvaarden van zijn ambt, pensioen verleende, brak er den 6den September een opstand uit, de zoogenaamde „Zurichputsch", waarbij duizenden boeren, onder aanvoering van den godsdienstleeraar Hirzel, Zurich binnentrokken. De regeering nam haar ontslag en de conservatieve partij, met den staatsraad Bluntschli aan het hoofd, kreeg het gezag in handen, evenwel niet voor langen tijd. Bij de verkiezingen van 1845 kregen de liberalen de meerderheid.

Door de nieuwe grondwet van het Eedgenootschap van 1848 verloor Zurich zijn rang als bondsresidentie, daarentegen werd echter besloten, dat het polytechnicum van het Eedgenootschap te Zurich zou worden gevestigd. Sedert den 6den Augustus 1859 hadden er tusschen Oostenrijk, Frankrijk en Sardinië onderhandelingen plaats over den voorloopigen Vrede van Villafranca, waardoor den lïdcn October daaraanvolgende een definitieve vrede tot stand kwam. De vrijzinnige richting van het bestuur werd bij elke nieuwe verkiezing gehandhaafd. In 1849,1851 en 1865 werd de grondwet telkens gedeeltelijk herzien, in 1867 ontstond een democratisch-socialistische beweging, die een geheele wijziging van de grondwet wenschte. In Januari

1868 werd met een groote meerderheid tot deze wijziging besloten. Een comité tot grondwetsherziening ontwierp een nieuwe wet, die den 18den April

1869 met 35 000 tegen 22 000 stemmen werd aangenomen. Hierbij werden o.a. het verplicht referendum over alle wetten en in financiëel opzicht belangrijke besluiten ingevoerd, het recht tot initiatief aan een bepaald aantal burgers verleend, kosteloos verplicht volksonderwijs ingevoerd enz. Den 9den Mei werden de nieuwe bestuursleden gekozen, waarbij de democratische partij een beslissende overwinning behaalde. Langzamerhand nam echter de invloed van de liberalen weer toe, vooral tengevolge van de door de democraten gevolgde spoorwegpolitiek, die den staat en de gemeenten met groote lasten bezwaarde. In zaken, het Eedgenootschap betreffende, gingen liberalen en democraten gewoonlijk samen, zoodat o. a. de nieuwe bondsgrondwet en verschillende bondswetten, die aan het volk werden voorgelegd, met een groote meerderheid werden aangenomen. In 1891 werd bepaald, dat het nieuwe Zwitsersche landsmuseum te Zurich zou worden gevestigd. In hetzelfde jaar werd de stad met de 12 voorsteden administratief tot één geheel vereenigd, zoodat Zurich thans de grootste stad van Zwitserland is.

Zurich, Meer van, een sikkelvormig meer in het Zwitsersche heuvelland, een verbreeding van de Linth, die het onder den naam van Limmat verlaat, heeft een lengte van 39 km. en tusschen Stafa en Richterschwil een breedte van nagenoeg 4 km., tusschen Horgen en Herrliberg een diepte van 143 m., terwijl het bij gemiddelden waterstand 409 m. boven den zeespiegel ligt. De oppervlakte bedraagt 87,78 v. km. De vroeger zeer drukke scheepvaart is door den aanleg van de spoorwegen op de beide oevers (1875 links, 1895 rechts) afgenomen, toch wordt het meer nog geregeld door 14 stoomschepen bevaren. Langs de beide oevers liggen fraaie dor-

Sluiten