Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doopsgezinde Societeit. Hij overleed den lldcn Maart 1839. De „Dichtproeven, nagelaten door Dirk Zwaardemaker te Zaandam", werden in 1840 door 8. Blaupot ten Cate in liet licht gegeven.

Zwaardemaker Cz., dr. Hendrik, in 1857 geboren te Haarlem, promoveerde in 1883 aan de universiteit van Amsterdam op een proefschrift, getiteld: „Over ischaemie van den hartwand", was van 1882 tot 1897 officier van gezondheid en is sedert laatstgenoemd jaar hoogleeraar in de physiologie aan de hoogeschool te Utrecht. Behalve tal van verhandelingen in wetenschappelijke tijdschriften verscheen van hem: „Die Physiologie des Geruchs" (1895), „Over spraakgeluiden"(inaugureele rede, 1897), „De quantitatieve methode der interne kliniek"(„Geneeskundige Bladen", 3de reeks, no. 9,10, 1896), (met H. Burger-.) „Leerboek der oorheelkunde"(1905), „Leerboek der physiologie"(1909—1911, dl. I, II1), „De jongste gestalte der physiologie"(rectorale rede, 1910). In 1896 verwierf hij de Tilanusmedaille. Hij is mede-redacteur der „Onderzoekingen,gedaan in het physiologisch laboratorium aan de Utrechtsche hoogeschool".

Zwaardlelie (Iris L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Irideeen. Het omvat gewassen met een onderaardschen, kruipenden, knoMg verdikten wortelstok, zeer zelden met bollen, en met een enkelvoudigen of vertakten, somtijds zeer korten stengel, zwaardvormige, in twee rijen geplaatste bladeren, groote eindstandige, alleenstaande, tot trossen of aren vereenigde bloemen en met een lederachtige, veelzadige doosvrucht. Van drie soorten namelijk van I. gernianica L. met donkerblauwe bloemen en in Zuid- en Midden-Europa, Noord-Indië en Marokko groeiende, 1. PallidaLaw. met lichtblauwe bloemen en in Istrië te huis behoorende, en van 1. florentina L. met witte bloemen, in Turkije en Klein-Azië te vinden, brengt men den wortel als vioolwortel in den handel. Men kweekt vooral de eerst- en laatstgenoemde soorten in de omstreken van Florence. In Augustus worden de wortels uit den grond gehaald, geschild en in de zon gedroogd. De versche wortelstok is vleezig, riekt walgingwekkend en heeft een scherpen en bitteren smaak. In gedroogden toestand is hij geelachtig wit, riekt naar viooltjes en heeft een zachten smaak. Hij bevat zeer weinig aethérische olie, maar geeft, met water gedestilleerd, een kristallijn lichaam (myristinezuur), dat met die olie doortrokken is (irisolie, iriskamfer). De oude Grieken bezigden dezen wortel reeds voor parfumerie en als geneesmiddel; zij verkregen dien uit Illyrië en Macedonië van 1. germanica ; in het Oosten gebruikt men het poeder tot blanketsel. I. germanica wordt als sierplant in talrijke verscheidenheden in de tuinen gekweekt, en 1. pseudacorus L. met groote gele bloemen groeit aan vijvers en vaarten in geheel Europa en levert den valschen kalmuswortel. De naam Zwaardlelie wordt echter tegenwoordig meer gebezigd ter aanduidingen van het geslacht Gladiolus ook uit de familie der Irideeen, terwijl het geslacht Iris dan den naam van Lisch draagt.

De aar draagt 5 tot 10 purpere bloemen, de stempels staan niet tegenover de helmknopjes en de schutbladeren bezitten een stekelpunt. Zij is een sierplant, wordt in vele varieteiten gekweekt.

Zwaardleliën. Zie Irideeen.

Zwaardvisschen (Xiphiidae). Zie Xiphiidae.

Zwaarmoedigheid. Zie Melancholie.

Zwaarspaat (Baryt, Grieksch Bapus = zwaar), een zeer verspreid mineraal, bestaande uit baryumsulfaat, somtijds vermengd met een weinig strontium- of calciumsulfaat, treedt veelal op in .rhombische plaat- of zuilvormige kristallen. Zij komen afzonderlijk of vereenigd tot klieren of boomen hanekamvormige aggregaten voor; ook schaalvormige, stengel- en vezelachtige (vezelbaryt), alsmede korrelige- en aardachtige (zwaaraarde) aggregaten worden aangetroffen. Zwaarspaat is kleurloos wit, grauw, geel- en roodachtig, doorschijnend of doorzichtig, glas- tot vetglanzend en splijtbaar. Zijn hardheid bedraagt 3—3,5, zijn soortelijk gewicht 4,3—4,6. Vezelige variëteiten fluoresceeren na verwarming of bestraling. Belangrijke vindplaatsen van fraaie kristallen zijn: Freiberg en Klausthal in Duitschland en Duston in Engeland. Voor ontginning geschikte hoeveelheden worden gevonden bij Meggen in Westfalen. Te Chaudefontaine bij Luik komen fraaie vezelige variëteiten voor, waartoe ook de Bologneesche spaat uit de mergelgroeven van den Monte-Paterno bij Bologna behoort.

Zwaarte is een bijzonder geval van de algemeene aantrekking, welke stof op stof uitoefent (zie Aantrekking, Algemeene). Deze openbaart zich door den werkelljken val of den druk door de lichamen op het daaronder geplaatste steenvlak uitgeoefend. Aan dien druk geeft men den naam van gewicht (zie aldaar). Intusschen moet dit gewicht niet verward worden met het gewicht, dat door weging bepaald wordt en dat de massa van een lichaam voorstelt.

Zwaartekracht is de naam van een der componenten der aantrekkingskracht van de aarde, waarvan de andere componente de centripetale kracht voorstelt. Haar versnelling is die, welke uit slingerproeven gevonden wordt, terwijl haar richting in het algemeen niet door het middelpunt van de aarde gaat. Aan den evenaar vallen aantrekkingskracht en centripetale kracht in dezelfde richting. Daar is dus de zwaartekracht gelijk aan het algebraïsch verschil tusschen deze beide. Van den evenaar naar de polen neemt de centripetale kracht af tot de waarde nul. Aan de polen is derhalve de zwaartekracht gelijk aan de aantrekkingskracht. Bovendien is tengevolge van de afplatting der aarde, een punt aan den evenaar verder van het aardmiddelpunt verwijderd dan één aan de polen. In verband met deze drie oorzaken neemt de zwaartekracht toe van den evenaar naar de polen. Naar werd opgemerkt, wordt de versnelling van de zwaartekracht bepaald door middel van slingerproeven. Neemt nu inderdaad, zooals boven op grond van theoretische overwegingen werd uiteengezet, de zwaartekracht van den evenaar naar de polen toe, dan moet dit, daar immers de kracht gelijk is aan het produkt van massa en versnelling, ook met haar versnelling het geval zijn. Noemt men deze g, 1 de lengte en t den slingertijd van den slinger, waarmede zij bepaald wordt, dan bestaat de betrekking

* _ _ i/T"

v __ (zie Slinger) en dus g = - . Is de sling

ger een secondenslinger, dan is t = 1 en g = n'1. g is dus evenredig met 1, zoodat ook 1 van den evenaar naar de polen moet toenemen. De onderzoekingen van Sabine, samengevat is de volgende tabel, bevestigen deze gevolgtrekking:

Sluiten