Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kiemen; hyphenbundels komen dan naar buiten die tot langgesteelde bleekroode kopjes uitgroeien. In den wand van deze kopjes vindt men dan talrijke peritheciën, die in hun binnenste talrijke asci dragen, die elk 8 langgerekte ascus sporen bezitten. Deze ascussporen worden door den wind verspreid en geraken zoo op de roggearen.(Zie verder Moederkoorn).

Verwant met deze is CordycepS, die in rupsen leeft. De orde der Discomyceten bestaat eveneens uit talrijke familiën en geslachten. Hun vruchten onderscheiden zich hierdoor, dat de asci vrij aan de oppervlakte liggen en het vruchtlichaam (apothecium) bekervormig is.

Zeer bekend is het geslacht Peziza (zie de Plaat), waarvan het mycelium zoowel op rottend hout als op den bodem vegeteert.

Hiertoe behoort ook Rhytisma acerina, die in den zomer groote donkere vlekken op de bladeren van den eschdoorn (Acer) veroorzaakt. De apotheciën komen in den herfst te voorschijn en overwinteren op de afgevallen bladeren. Bekend is verder Morchella (Morielje). Het vruchtlichaam bestaat uit een dikken steel, waarop een kegelvormige hoed. De asci worden aan de oppervlakte van dezen hoed gevonden.

Eetbaar is M. esculenta, die in het wild wordt opgezocht en ook in ons land voorkomt.

De orde der Hemibasidii vormt een overgang tot die der Basidiomyceten. Bij de eerste zijn de conidiëndragers gelijkend op de basidie, bij de tweede zijn deze dragers tot echte basidiën geworden. Beide orden zijn hoog georganiseerde zwammen.

Tot de Hemibasidii behooren de z. g. Brand zwammen, die parasitisch leven in verschillende planten, vooral in bepaalde deelen daarvan.

Het mycelium vormt de z. g. brandsporen, doordat de rijk vertakte hyphendraden door dwarswanden in korte cellen worden verdeeld. Deze cellen komen dan vrij, hun wand zwelt op en laat later een kleurlooze dunne endospoor en een donker gekleurde dikke exospoor onderscheiden. Aldus valt het mycelium uit een in sporen, die zich dan als een donkere stofmassa voordoen. De brandsporen moet men als chlamydosporen opvatten; hun ontstaan geschiedt echter anders dan bij de Hemiasci. Bij de Hemiasci ontstaan zij door spruiting en afsnoering aan de hyphentoppen; bij de Hemibasidii echter doordat in de hyphendraden tusschenschotten optreden waardoor deze in een groot aantal cellen uit een vallen. Bij het kiemen dezer brandsporen komt een op een basidie drager gelijkende conidiedrager te voorschijn. De wind verbreidt de brandsporen en deze kiemen eerst na een rustpoos, na den winter. De meest belangrijke is Ustilago, waaronder U. segetum, die op haver, gerst en tarwe voorkomt. Het mycelium doorwoekert de vruchtbeginsels en doet hier de brandsporen ontstaan in plaats dat zich daar de korenkorrel ontwikkelt. Na den rusttijd kiemen de brandsporen op den grond tot een soort van buis, die door 3 of 4 dwarswanden wordt verdeeld en den conidiedrager voorstelt. De eivormige conidiën ontstaan zoowel zijdelings als aan den top. Laat men ze in voedende oplossingen kiemen, zoo worden voortdurend conidiën afgesnoerd evenals bij de gist. Is de voedende vloeistof verbruikt dan vormt zich eerst het mycelium. Op den vochtigen grond vindt deze conidiën vorming

eerst plaats en de uit deze conidiën te voorschijn komende myceliumdraden dringen dan in de jonge korenkiemen binnen tot aan den groeitop,waar later de bloeiwijzen worden gevormd. Op de voedsterplant geschiedt geen conidiënvorming.

Een ander geslacht is Tilletia, dat de z. g. stinkbrand der tarwe veroorzaakt. De brandsporen worden ook hier in vruchtbeginsels van het aangetaste koren aangelegd, vullen den uiterlijk gaaf uitzienden tarwekorrel geheel en verspreiden een onaangenamen reuk. De brandsporen gedragen zich hier echter anders bij de kieming dan bij Ustilago n. 1. kransvormig ten getale van 4 tot 12 ontstaan aan den top der kiembuis de draadvormige conidiën. Bij de orde der Basidiomyceten treden de basidiën volkomen op en wel in twee hoofdvormen n. 1. als z. g. protobasidiën of als autobasidièn. Hierop berust dan ook de verdeeling in twee onderorden die der Protobasidiomyceten en die der Autobasidiomyceten. De drager der protobasidiomyceten is meercellig en wel öf door dwarse öf door langsdeeling in 4 cellen, die elk op een afzonderlijk steeltje (sterigmen) een spore afsnoeren. De drager der autobasidiën is ongeleed en draagt aan den top vier dunne steeltjes elk met een spore aan het uiteinde. De dwarsgedeelde dragers gelijken derhalve op de conidiëndragers der Ustilagineeën, de over langsgedeelde op die der Tilletieeën.

De Protobasidiomyceten worden nog in 4 groepen verdeeld, die der Uredineeën, der Auricularieeën, der Pilacreeën en der Tremellineeën, waarvan de meest belangrijke die der Uredineeën of Roestzwammen is.

Deze leven weer als hoogst schadelijke parasieten in de intercellulaire ruimten der weefsels voornamelijk van de bladeren van hoogere planten. Evenals de brandzwammen ontwikkelen de roestzwammen chlamydosporen, die in den vorm van kleine hoopjes uit het weefsel der voedsterplant als z. g. roest naar buiten treden. Bij het kiemen der chlamydosporen ontwikkelt zich een dwarsgedeelde basidie, waar boven op de 4 sterigmen elk met een spore staan. De chlamydospore ontwikkeling vertoont hier een groote verscheidenheid en wel meestal naar drie vormen. Vooreerst als teleutosporen, echte typische win tersporen, die bij het kiemen onmiddellijk de 4 sporige basidie geven; zij ontstaan in den herfst aan de uiteinden van talrijke, dicht bij elkaar staande hyphendraden en breken door de epidermis van de voedsterplant naar buiten in den vorm van kleine wratten. Voorts heeft men Uredosporen, d. z. zomersporen, die in dergelijke vormen als de vorige naar buiten treden, maar dadelijk vegetatief kiemen en zoo de zwam gedurende den zomer verbreiden. In tegenstelling met de win tersporen zijn de zomersporen dunwandig. In de derde plaats komen nog de aecidiosporen, die aan de vorming van Uredo en teleutosporen voorafgaan, ook vegetatief kiemen en in bijzondere vruchtlichamen, aecidiën worden aangelegd. Deze aecidiën zijn kleine, in den beginne gesloten lichaampjes, die uit de epidermis naar buiten treden, zich openen en dan op den bodem een hymenium van dicht aaneengegroeide myceliumdraden vertoonen. De veelhoekige sporen staan dan in lange rijen, als kralen op een koord geregen. Het hulsel, de peridie bestaat uit steriele cellen.

Hoewel uredo- en aecidiosporen door hunne slechts vegetatieve kieming afwijken van de teleu-

Sluiten