Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zee, evenals ten opzichte van het zoutgehalte, overeen met de Oostzee. Op een diepte van 150 m. heeft het water een zwavelwaterstofachtigen reuk, beneden 400 m. diepte bevat het zooveel van dit gas, dat elk organisch leven daar onmogelijk wordt. De visscherij is niet onbelangrijk; aan de Russische kust wordt jaarlijks voor 9 millioen roebel visch gevangen. In de strandmeren wordt veel zout gewonnen. De belangrijkste plaatsen aan de Europeesch-Russische kusten zijn: Odessa en Nikolajew aan de noordkust, Sebastopol, Eupatoria, Jalta, Feodosia (Kaffa), Kertsj in de Krim, Berdjansk, Taganrog en Mariupol aan de Zee van Asow, aan de Russische oostkust Anapa, Noworossijsk, Soesjoemkalé, Poti en Batoem. De belangrijkste Turksche havenplaatsen in Klein-Azië zijn: Trebizonde, Samsoen, Sinope en Skoetari eninEuropeesch Turkije Konstantinopel. Tot Bulgarije behooren Boergas en Warna, tot Roemenië Constantza, Soelina, Galatz en Braïla. Een aantal stoomvaartlijnen onderhouden een geregeld verkeer. Van ouds verhinderde Turkije aan vreemde oorlogsschepen den toegang door de Dardanellen en den Bosporus. In 1833 sloot het een geheim verdrag met Rusland, waarbij het beloofde de Dardanellen voor oorlogsschepen van een ander land te sluiten, wanneer Rusland dit wenschte. In 1841 werd door de Groote Mogendheden bepaald, dat de Zwarte Zee ook voor Russische oorlogsschepen zou worden gesloten. Bij den Vrede van Parijs (1856) werd bepaald, dat Turkije en Rusland niet meer dan elk 10 schepen, waaronder 6 oorlogsschepen, in de Zwarte Zee mochten hebben. Rusland onttrok zich in 1870 aan deze bepaling en wist op de Pontusconferentie (22 Januari-13 Maart 1871) de toestemming van de Groote Mogendheden voor een willekeurig aantal oorlogsschepen in de Zwarte Zee te verkrijgen. Daarentegen bleef de toegang door den Bosporus en de Dardanellen ook na het Verdrag van Berlijn (13 Juli 1878) van de toestemming van de Porte afhankelijk.

Zwartgras (Alopecurus ügrestis). Zie Alopecurus.

Zwartkoren. Zie Melampyrum.

Zwartsel is een soort koolstof, verkregen door droge destillatie of verkoling van gist, draf, kurk- en beenderenafval enz. Het kan zeer fijn verdeeld worden en vindt in vele gevallen toepassing inplaats van roet.

Zwartsluis, een gemeente in de provincie Overijsel, 1975 H. A. groot met (1910) 3737 inwoners, werd in het laatst van de 18de eeuw gevormd uit deelen van het schoutambt Vollenhove en van het Hasselterkerspel. Zij wordt begrensd door de gemeenten Wanneperveen, Staphorst, Hasselt, Zwollerkerspel en Ambt Vollenhove. De grens wordt gedeeltelijk gevormd door het Zwarte Water, het Meppelerdiep loopt er door. De bodem bestaat uit klei, laagveen en plassen. De voornaamste middelen van bestaan zijn scheepvaart, handel en nijverheid. Tot de gemeente behoort het vlek Zwartsluis en de gehuchten Mariënberg, Stouwe, Baarloo en Ten Velde.

Het vlek Zwartsluis strekt zich uit langs het Zwarte Water en het Meppelerdiep. Het is verdeeld in de wijken de Schans, de Oude Sluis of het Buitenkwartier en de Nieuwe Sluis. Men vindt er een Hervormde,een Doopsgezinde, een Gereformeerde kerk en een synagoge. In de 16de eeuw bevond zich aan

het Meppelerdiep een schans, die later versterkt werd. In den Tachtigjarigen Oorlog bezat Zwartsluis 3 poorten, die later in verval geraakten. In 1621 werd in het Meppelerdiep een steenen schutsluis aangelegd, die de vroegere houten uitwateringsluis verving. Deze sluis ontving den naam van Nieuwe Sluis, in tegenstelling met de Aremberger Sluis, die in het midden van de 16de eeuw in de Aremberger gracht was gebouwd. Zwartsluis werd in 1527 door de Gelderschen veroverd, in 1528 werd het voor Karei V gewonnen. Na den afval van Rennenberg in 1580 versterkte Sonoy de schans. Van 1672— 1674 was Zwartsluis in de macht van Bernhart van Galen.

Zwartvlaggen (Pavillons noirs) is in Tonkin de aanduiding van de overgebleven Taiping-rebellen, die, in 1865 uit Z. China verdreven, aan den bovenloop van de Roode Rivier een zelfstandigen staat vestigden met Lao-kai als hoofdstad. Voortdurend versterkt door Chineesche vluchtelingen, zoowel als door Europeesche en Amerikaansche gedeserteerde matrozen, maakten zij zich in de delta van de Roode Rivier berucht als zeeroovers, hieven op die rivier een drukkenden tol, terwijl zij tot de gevaarlijkste tegenstanders behoorden van de Franschen, toen deze Tonkin binnendrongen. Eerst in April 1886 gelukte het aan de Franschen om Lao. kai te bezetten; in Mei waren zij geheel onderworpen,

Zwartvoet-Indianen(Blackfeet,Pieds noirs)een Indianenstam, behoorende tot den grooten stam der Algonkin (zie aldaar), bewonen in het W. van N. Amerika het brongebied van den Saskatchewan en den Missouri. Zij zijn onderverdeeld in de Satsikai of eigenlijke Zwartvoet-Indianen, de Kaena of Bloed-Indianen en de Piëgan (picaneux). Ongeveer 6 000 Zwartvoet-Indianen wonen in de Canadeesche provincies Manitoba en Assiniboia, terwijl er 5000 in de N. Amerikaansche Unie in de staten Dakota en Montana worden aangetroffen. Hun naam ontleenden zij naar het schijnt hieraan, dat hun schoeisel, mokassin geheeten, door den zwarten bodem van hun landstreek donker gekleurd wordt. Landbouw en onderwijs hebben slechts geringe vorderingen bij hen gemaakt. Onder de Piëgan zijn nog vele oude gebruiken bewaard gebleven.

Zwart Vuur is een Kabbalistische term voor de absolute wijsheid, die zwart genoemd wordt, omdat zij voor het beperkt menschelijk verstand onbegrijpelijk is.

Zwartwaterkoorts (Melanurie, Fébris Uliosa et haemoglobinurica), volgens Plehn een zware vorm van malaria, gepaard gaande met geelzucht en plotselinge vernietiging van de roode bloedlichaampjes, waarvan de kleurstof overgaat in de urine, welke daardoor bruinrood tot zwartbruin gekleurd wordt (haemoglobinurie) treedt vooral in de tropische streken van Afrika op. Koch en anderen meenen, in tegenstelling met Plehn, dat hier niet aan een bijzonderen ziekteverwekker, maar aan een vervolgstadium van gewone malaria, veroorzaakt door onoordeelkundig gebruik van chinine, moet worden gedacht. De ziekte verloopt onder hooge koorts en zware algemeene ziekteverschijnselen, terwijl lever en milt sterk opzwellen. In enkele dagen ontstaat bloedarmoede in hevigen graad. Bij toenemende hartzwakte kan de dood binnen 8—14 dagen volgen; in andere gevallen treedt een plotselinge verbetering in.

XVI

37

Sluiten