Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spoorstaven 4299811 gld.

Talk, Roet en Smeer 200515 „

Verfwaren 448709 „

Visch. Haring 338584 „

Zinkwit en Zinkgrijs 259423 j „

De Zweedsche handelsvloot telde in 1907: 1827 zeilschepen van 238742 ton inhoud en 1141 stoomschepen van 532515 ton inhoud. Het scheepvaartverkeer was als volgt:

Vaartuigen. Aangekomen. Vertrokken.

Aan- To?" Aan- To?" "houd" houd.'

A. Binnenscheepvaart.

Zeilschepen 38338 2067030 39005 2148325

Stoomschepen 91167 10928329 90204 11466743

Totaal: 129505 12995359 129209 13615068

B. Groote vaart.

Zeilschepen 11014 1182577 9657 1045823

Stoomschepen 2103410591444 19852 9925788

Totaal: 32048 11774021 29509 10971611

Behalve de Zweedsche rijksbank, waarvan het grondkapitaal en het reservefonds 62,5 millioen kronen bedraagt, vindt men er nog een aantal andere banken en credietinstellingen. In 1908 waren er 428 spaarbanken met een inleg van 713,6 millioen kronen, terwijl bovendien in 3180 postspaarbanken 46,4 millioen kronen ingelegd was.

Het binnenlandsch verkeer wordt bevorderd door een groote kustontwikkeling, een aantal meren, kanalen, wegen en spoorwegen. De scheren bieden voortreffelijke havens aan. Vele meren staan met wegen en spoorwegen in verbinding en worden zelf ook door stoomschepen bevaren. In 1909 stond de Rijksdag de middelen voor de verbreeding van het Trolhattankanaal toe, waardoor deze waterweg veel verbeterd zal worden, terwijl het Wenermeer voor schepen met veel diepgang toegankelijk zal zijn. Verder heeft men een plan ontworpen om hetWener-, het Hjelmar- en het llalarmeer door een kanaal te verbinden. Het spoorwegnet had in 1908 een gezamenlijke lengte van 13395 km., waarvan 4345 km. aan den staat behooren. De inkomsten bedroegen 127385450 kronen. De rijkstelegraafdraden hadden in 1908 een gezamenlijke lengte van 32019 km., daarbij komt nog 24615 km. draad van de spoorwegen. De telefoondraden hadden een lengte van 305200 km., het aantal spreekcellen bedroeg ongeveer 162000. Er waren in 1904 3419 postkantoren, die 108,4 millioen brieven, 48,5 millioen briefkaarten, 24,3 millioen stuks drukwerken en monsters verzonden, terwijl er voor 768 millioen kronen aan geld werd verzonden. In 1879 werd het metrieke

stelsel van maten en gewichten ingevoerd, in 1889 het gebruik er van bij de wet voorgeschreven. Den 18den December 1872 sloten Zweden en Noorwegen met Denemarken een muntverdrag, waarbij bepaald werd, dat uit 1 kg. fijn goud 2480 kronen zouden worden geslagen; 1 kroon bevat 100 öre en heeft een waarde van 662/3 cent. Men heeft gouden munten van 20 en 10 kronen met een gehalte van 0,900, zilveren munten van 1 kroon en 2 kronen met een gehalte van 0,800, zilveren munten van 50, 25 en 10 öre van een geringer gehalte en bronzen munten van 5, 2 en 1 öre. Deze munten zijn in de drie Scandinavische rijken wettig betaalmiddel, de bronzen munten echter slechts tot een bedrag van 1 kroon,rde slechtste zilveren munten tot een bedrag van 5 kronen, de andere tot 20 kronen. Tot 1874 was in plaats van de kroon de riksdaler riksmynt in omloop. De meest gebruikelijke betaalmiddelen zijn de bankbiljetten van de rijksbank van 5—1000 kronen.

Beschavingstoestand. De Zweden staan over het algemeen op een hoogen trap van beschaving. Volgens de wet van den 13den Juni 1842 moet elk kerspel tenminste één lagere school hebben; in zeer dun bevolkte streken zijn rondtrekkende (flyttande) scholen geoorloofd. In 1907 waren er 12252 vaste en 1974 rondtrekkende lagere scholen met 19917 onderwijzers en 772309 leerlingen. Voor het lager onderwijs werd een som van 34898782 kronen uitgegeven. Er zijn 8 kweekscholen voor onderwijzers en 6 voor onderwijzeressen. Bij het lager onderwijs sluit zich het hooger onderwijs aan; de wet op het hooger onderwijs werd in 1905 herzien. Het hooger onderwijs wordt gegeven in burgerscholen met 6 klassen en in hoogere scholen (högre allmanna laroverk), die behalve een burgerschool nog een gymnasium van 4 klassen omvatten. Er zijn 21 burgerscholen voor jongens, 19 voor jongens en meisjes (sanskolor) en 37 hoogere scholen met een gezamenlijk aantal leerlingen van 21865 (1908). Voor deze inrichtingen werd ruim 5millioenkronenuitgegeven. De universiteit te Upsala (gesticht in 1477) telde (1909) 2003 leerlingen, die te Lund 1063, het Karolinisch instituut voor de geneeskunde te Stockholm 314, de hoogeschool te Stockholm 505 en die te Gotenburg 153 leerlingen. In 1909 werd te Stockholm een handelsacademie opgericht. Verder bezit Zweden 10 zeevaartscholen, een militaire academie, een hoogere artillerie- en ingenieursschool, hoogere mijnbouwscholen te Filipstad en Falun, een boschbouwschool, een landbouwacademie, 2 hoogere instituten voor den landbouw, een aantal gewone landbouwscholen (in elke lan een), een veeartsenijschool, 3 scholen voor vroedvrouwen, een blindeninstituut, 7 doofstommeninstituten, een technische hoogeschool, de Chalmersschool voor nijverheid te Gotenburg en 4 andere scholen voor nijverheid. Aan de universiteiten en de meeste hoogescholen is een bibliotheek verbonden. Tegenwoordig bezit elk kerspel een bibliotheek.

Bestuur, Rechtspraak, Financiën enz. Zweden is een door den Rijksdag beperkte, zelfstandige, erfelijke monarchie, welke door een koning volgens de grondwet wordt geregeerd. Deze laatste bestaat uit: de regeling van den regeeringsvorm van den 6den Juni 1809, de Rijksdagverordening van den 22sten Juni 1866, waardoor de vroegere met haar vier standen (adel, geestelijkheid, burgers en boeren) werd opgeheven, de troonop-

XVI

38

Sluiten