Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genten ging het land snel achteruit. De willekeur van den adel was onbeperkt. Het leger en de vloot geraakten in verval. De buitenlandsche staatkunde was geheel en al afhankelijk van de subsidiën en geschenken der vreemde mogendheden. In 1672 kwam de jonge koning zelf aan de regeering De afhankelijkheid en onzelfstandigheid van het rijk bleek o. a. uit den inval, dien Karei den rijksveldheer Wrangel op verlangen van Lodewijk XIV van Frankrijk in 1675 in Brandenburg liet doen. In den strijd tegen Brandenburg en Denemarken (1675—1679) leden het Zweedsche leger en de Zweedsche vloot de eene nederlaag na de andere. Alleen door de handige politiek van Gyllenstierna en door den invloed van Frankrijk bleef Zweden bij de Vredes van Nijmegen, St. Germain en Lund voor een groot verlies van land bewaard. Na dezen tijd trachtte de koning een einde te maken aan het aristocratisch wanbestuur en het staatsbeheer op hechte, deugdelijke grondslagen te vestigen. Terwijl hij zich om de buitenlandsche aangelegenheden zoo weinig mogelijk bekommerde, wijdde hij al zijn kracht aan het binnenlandsch bestuur, waarbij Gyllenstierna hem ter zijde stond. Nadat hem de Rijksdag van 1680 en vooral die van 1682 een bijna onbeperkte macht had toegekend, riep hij de voogden tot verantwoording omtrent hun beheer en bracht door de „reductie", de goederen, die vroeger aan de kroon hadden behoord, weder in zijn bezit, waardoor de macht van den adel een gevoeligen knak ontving. De financiëele toestand werd daardoor echter zooveel verbeterd, dat de schuldenlast aanzienlijk werd verminderd, terwijl een reorganisatie van het leger, de vloot, het bestuur en de kerkelijke verordeningen mogelijk werd. Bij den dood van Karei XI (15 April 1697) was zijn zoon Karei XII eerst 15 jaar oud, zoodat de naburige landen het tijdstip gunstig achtten tot vermindering van Zwedens macht. In 1699 sloten Denemarken, Rusland en Polen-Saksen een verbond tegen Zweden, dat het uitbreken van den Noordschen Oorlog (zie aldaar) in 1700 tengevolge had. Deze oorlog werd gedurende langen tijd met zeer veel geluk door Zweden gevoerd; de oude oorlogsroem van Zweden werd hersteld en de dapperheid van den jongen koning werd algemeen bewonderd. Groot waren echter de financiëele offers, die het land moest brengen. De hardnekkigheid van den koning, die 5 jaar in Turkije bleef om dit land tot den oorlog met Rusland te bewegen, terwijl Zweden van alle zijden door vijanden werd bedreigd, kwam het land duur te staan. Ook na zijn terugkeer kwam er geen verbetering in den toestand daar het aantal vijanden in 1715 nog met EngelandHannover en Pruisen werd vermeerderd. Tevergeefs trachtte zijn gunsteling Görtz de coalitie te doen ontbinden. Omringd door vijanden, beroofd van zijn buitenlandsche bezittingen, inwendig verarmd, was Zweden zijn ondergang nabij, toen Karei XII den Uien December 1718 voor Frederikshald sneuvelde.

De gebeurtenissen van de laatste jaren hadden de macht van het absolute koningsschap belangrijk verminderd en de invoering van een verdeelde heerschappij voorbereid. Wel werd in 1719 de jongere zuster van Karei, namelijk Ulrike Eleonore als koningin gehuldigd, echter met de beperking, dat zij afstand zou doen van het onbeperkt gezag en haar toestemming zou geven tot een wijziging der grond¬

wet. De Rijksdag, die in 1720 te Stockholm bijeenkwam, gaf onder den invloed van den adel zijn toestemming tot een wetsverandering, waarbij de uitvoerende macht werd opgedragen aan een door de Standen gevormden Rijksdag en aan den van dezen geheel afhankelijken Rijksraad of Senaat. Het nieuwe bestuur trachtte in de eerste plaats vrede met Hannover, Pruisen en Denemarken te sluiten. Bij den vrede van Stockholm kreeg Hannover (1719) tegen betaling van een millioen taler Bremen en Verden, Pruisen (1720) voor 2 millioen taler VoorPommeren tot aan de Peene, en Denemarken voor s/s millioen taler het aandeel van Gottorp op Sleeswijk en het recht Sondtol te heffen. Daarentegen werd de oorlog met Rusland voortgezet, zoodat herhaaldelijk rooftochten op de Zweedsche kusten door de Russen werden ondernomen. Den 10den September 1721 kwam de vrede met Rusland te Nystad tot stand, waarbij Zweden Ingermanland, Esthland, Lijfland, een gedeelte van de Finsche provinciën Wiborg en Kexholm tegen betaling van 2 millioen taler aan Rusland afstond. Daardoor verloor Zweden zijn rang als groote mogendheid van het noorden, dien het sedert Gustaaf Adolf had bekleed, en werd daarin opgevolgd door Rusland. Inmiddels was op den Rijksdag van 1720 het koninklijk gezag van Ulrike Eleonore overgegaan op haar echtgenoot Frederik I van Hessen, nadat deze nieuwe inwilligingen gedaan had aan den Rijksraad. Dezen tijd, waarin de invloed van den koning zeer gering was en de partijen op de Rijksdagen voortdurend om de macht streden, noemt men den vrijheidstijd. De koning was niets meer dan een werktuig van de verschillende partijen, die dikwijls onder invloed van het buitenland stonden. Aanvankelijk had de Holsteinsche partij, die Karei Frederik van Holstein Gottorp, een zoon van de oudste zuster van Karei XII, tot koning verlangde, veel invloed, sedert 1727 de partij van den president der kanselarij, A. B. Hom. Deze laatste trachtte den vrede met het buitenland te handhaven, handel en nijverheid te bevorderen en verschillende hervormingen in te voeren. In 1731 werd de Oost-Indische handelscompagnie opgericht, in 1734 werd een burgerlijk wetboek ingevoerd. De vredelievende partij van Hom werd met den naam van Mutsen (zie aldaar) bestempeld; tegenover haar stond de Franschgezinde, oorlogszuchtige partij van de Hoeden (zie Hoeden en Mutsen) onder leiding van Gyllenborg en Lewenhaupt. Na 1734 kreeg laatstgenoemde partij meer en meer de overhand. Door hun invloed werd in 1738 een subsidieverdrag met Frankrijk gesloten, terwijl in 1741 aan Rusland, dat men tot teruggave van de veroverde bezittingen wilde dwingen, de oorlog werd verklaard. Het Zweedsche leger leed achtereenvolgens verschillende nederlagen. Zweden bleef alleen in het bezit van Finland, doordathetop bevel van de Russische keizerin Elizaheth, hertog Adolf Frederik van Holstein-Gottorp, een neef van Karei Frederik tot erfgenaam van den Zweedschen troon benoemde. Daarna kwam den 18den Augustus 1743 de Vrede van Abo tot stand, waarbij Zweden het gebied ten O. van het Saimameer en de rivier Kymmene aan Rusland afstond.

Adolf Frederik aanvaardde in 1751 de regeering. Hij stond geheel onder invloed van zijn gemalin Louise Ulrike, een zuster van Frederik den Groote■< Zij trachtte met behulp van een hofpartij de ko-

Sluiten