Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat door de huid, behalve de eigenlijke ademhalingsgassen (koolzuur en water), ook minder volkomen oxydatieproducten, vooral vluchtige vetzuren, worden afgescheiden. Wegens haar groote hoeveelheid water verzamelt zich de afscheiding door de zweetklieren allicht in droppels, en aan deze geeft men den naam van zweet. Het zweet is een kleurlooze, eenigszins troebele vloeistof, die zoutachtig smaakt, zuur reageert en eeneigenaardigen reuk van vluchtige vetzuren bezit. Men vindt daarin microscopische slijmkorrels, uit de zweetklieren afkomstig, opperhuidcellen, vetdroppels enz. De bestanddeelen van het zweet zijn: water (99 %), geringe hoeveelheden vet, sporen van een albuminaat, ureum, cholesterine, vetzuren en zouten. De hoeveelheid afgescheiden zweet staat onder invloed van zenuwcentra, van de temperatuur van het lichaam, van spierinspanningen, de hoedanigheid wordt bij geelzucht veranderd, doordat er galkleurstof in optreedt, bij suikerziekte druivensuiker, bij stinkende zweetvoeten leucine, baldriaanzuur en ammoniak. De zweetafscheiding wordt sterk bevorderd door pilocarpine, een alkaloïde uit de bladeren van Jaborandi.

Zweetdoek (Sudarium Christi) is de naam van een doek, die sedert 1101 als reliquie in de Sint Pieterskerk te Rome in een afzonderlijk altaar wordt bewaard. Volgens de legende reikte Veronica (zie aldaar) op den weg naar Golgotha dezen doek aan Jezus, die daarmede zijn gezicht af wischte. Het verhaal wil, dat zijn trekken in den doek afgedrukt waren, toen Veronica hem terug ontving. Ook andere steden, o. a. Milaan en Jaen, beweren in het bezit van den echten zweetdoek te zijn.

Zweetdrijvende middelen, Diaphoretica of Sudorifera dienen om de afscheiding van de huid te bevorderen. Zij worden bij verschillende ongesteldheden toegepast, o. a. bij verkoudheid, rheumatische aandoeningen, sommige nieraandoeningen, huidziekten, enz. Op de eenvoudigste wijze roept men het zweet te voorschijn door het lichaam in wollen dekens te wikkelen en den een of anderen warmen drank in te nemen, bijv. warmen limonade, heeten wijn, vlierthee, thee van lindebloesem of kamille enz. Een snelle en krachtige diaphoretische werking hebben stoombaden, heeteluchtbaden en electrische baden. Ook vele braakmiddelen en verdoovende middelen bevorderen de huidafscheiding evenals het rooken van zware sigaren. Een bijzonder sterke uitwerking heeft het pilocarpine, dat men verkrijgt uit de bladeren en de takken van de jaborandi (zie aldaar). Bij het gebruik daarvan moet men echter de noodige voorzichtigheid in acht nemen, daar een te groote dosis nadeelige gevolgen kan hebben.

Zweetvoeten. Zie Voetzweet.

Zweibrücken, Pfalz Zweibrikken of PaltsTweebruggen, in het Fransch Deux-Ponls, is de naam van een voormalig graafschap, sedert 1410 een hertogdom in het land van den Boven-Rijn, in het hedendaagsche Beiersche regeeringsdistrikt de Palts. Het telde in 1768 op 1 982 v. km. 60 000 inwoners in vier distrikten, alsmede op 495 v. km. 36 000 inwoners in den Elzas en het land van Gutenberg. De graven von Zweibrücken stammen af van Hendrik 1, jongsten zoon van Simon I, graaf von Saarbrücken (f 1180). Graaf Eberhard verruilde in 1295 met den hertog van Lotharingen de ambten Saargemünd, Mörsberg en Linden tegen liet graafschap

Bitsch. Door de verdeeling van 1333 ontstonden de lijnen Zweibrücken en Bitsch, van welke eerstgenoemde Zweibrücken, Bergzabern, Hornbach en Stauf verkreeg. Eberhard verkocht in 1378 en 1388 het graafschap Stauf aan den graaf von Sponheim, in 1385 de helft van het graafschap Zweibrücken aan paltsgraaf Ruprecht 1 en liet, toen in 1393 met hem zijn geslacht uitstierf, het overig gedeelte van Zweibrücken na als een vervallen leen. Sedert 1410 was Zweibrücken in het bezit van verschillende lijnen (zie Palts). In 1731 stierf de laatste lijn van Pfalz-Zweibrücken uit en het land viel ten deel aan den tak Birkenjeld, die in 1799 in Beieren aan de regeering kwam. Gedurende de Revolutie-oorlogen werd het vorstendom Zweibrücken door de Franschen bezet, bij den Vrede van Luneville kwam het aan Frankrijk en vormde een gedeelte van het departement Donnersberg. Door den Vrede van Parijs in 1814 keerde het tot Duitschland terug en kwam grootendeels aan Beieren, terwijl het overig gedeelte aan Oldenburg en Pruisen werd toegewezen.

Zweibrücken, Bipontinum, in oude oorkonden ook Germinus pons, in het Fransch Deux-Ponts, de hoofdstad van het voormalig hertogdom Zweibrücken (zie aldaar), ligt aan de Schwarzbach en aan 3 spoorwegen, is de zetel van onderscheiden gerechthoven, heeft twee Protestantsche kerken, onder welke zich de prachtige, in 1497 gebouwde Alexanderkerk met den hertogelijken grafkelder bevindt, een R. Katholieke kerk, een synagoge, een groot kasteel (vroeger de zetel van den hertog, thans die van verschillende rechterlijke lichamen), een gedenkteeken voor Bismarck, een voor Lützel, eenige oorlogsmonumenten, de zoogenoemde Wittelsbacher fontein enz. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 14 711. Men vindt er een gymnasium met een groote bibliotheek, een hoogere burgerschool, een landbouwwinterschool, een weeshuis, een museum voor natuurlijke historie, een schouwburg, een tuchthuis, een stoeterij enz. De stad bezit veel nijverheid, er zijn machinefabrieken, metaalgieterijen, bont- en zijdeweverijen, cichoreifabrieken, fabrieken voor sigaren, meubels, schoenen, zeep, bierbrouwerijen enz. In de nabijheid van Zweibrücken ligt een renbaan, het Luitpoldpark en de overblijfselen van een slot, waar vroeger Stanislaus Leyczynski, koning van Polen, verblijf hield. Uit een letterkundig oogpunt is Zweibrücken merkwaardig wegens een reeks voortreffelijke uitgaven van Grieksche, Latijnsche en Fransche werken (editiones Bipontinae), welke aldaar sedert 1779 door een vereeniging van geleerden in de hertogelijke drukkerij werden ter perse gelegd.

Zweifel, Paul, een Zwitsersch geneeskundige, geboren den 308ten Juni 1848 te Höngg bij Zurich, studeerde aldaar en vestigde zich in 1874 als privaat-docent te Straatsburg. In 1876 werd hij hoogleeraar in de verloskunde te Erlangen, waar onder zijn leiding een nieuwe vrouwenkliniek tot stand kwam. Hij vertrok in 1887 als hoogleeraar naar Leipzig, waar de nieuwe universiteitsvrouwenkliniek door hem ingericht werd. Van zijn werken noemen wij: „Lelirbuch der operativen Geburtshilfe" (1881), „Lelirbuch der Geburtshilfe" (1887), „Die Kranklieiten der auszern weiblichen Genitaliën und die Dammrisse" (1885), „Gefrierdurchschnitte des graviden Uterus" (1890), „Vorlesungen über klinische Gynakologie" (1892) en „Neue Ge-

XVI

39

Sluiten