Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soorten dikwijls zeldzame en fraaie mineralen bevatten. Als silurische formaties beschouwt men de glansleisteen of de grauwe, bonte en groene leisteen. De aanwezigheid van devonische gesteenten is nog niet met zekerheid aangetoond, carbonische vormingen treft men aan in de Alpen van Wallis en in het Tödigebergte, permische in Oost-Zwitserland, trias in de noordelijke en noordwestelijke kantons. Juragesteenten beslaan een groote oppervlakte, in de eerste plaats in het Juragebergte zelf; verder treft men ze ook in de Alpen aan, waar zij echter op sommige plaatsen in kristallijne leisteen overgegaan zijn. De krijtformatie is in het zuidwesten van de Jura en in sommige gedeelten van de Alpen rijk vertegenwoordigd. Uit het tertiaire tijdperk zijn de eocene nummulietenvormingen en hetflyschvande Alpen en de jong-tertiaire molasse van de voorgebergten afkomstig. Een groot gedeelte ten N. en ten Z. van de Alpen wordt door diluviale gesteenten, overblijfselen van vroegere, groote gletscliers ingenomen. Zwitserland bezit slechts weinig eruptieve gesteenten en nuttige delfstoffen.

Wateren. De Sint-Gotthard vormt de groote waterscheiding tusschen het gebied van den Rijn, de Rh fine en de Po. De Ticino en 2 zijrivieren van de Adda, de Poschiavino en de Maira, stroomen naar de Po, de Inn naar de Donau, de Rambach naar de Etsch.Het Rijngebied omvat de noordelijke, het Rhönegebied de westelijke, het Pogebied de zuidelijke en het Donaugebied de oostelijke afhelling van het land.

Rivieren op u Oppervlakte

Zwitsersch grond- . f ® • van de

gebied in km" ^ gletschers.

1) Rijn (tot Bazel) 375 27 867 0"^

Aare 282 17 442 van Konstanz

(Orbe-Thièle... 126 3104 v.km.

It» -i z.4 oa 11 2) voor den Knone

< Reusz . 154 3 411 boven het meer

ILinth-Limmat 135 24 4 van Genève 1041

2) Rhöne 252 6 790 v km

3) Ticino 88 3 375

4) Inn 91 1717 24 vkm.

Zwitserland bezit een groot aantal meren, de oppervlakte er van, voor zoover zij meer dan 10 H. A. groot zijn, bedraagt (1905) 1382,67 v. km. De grootste zijn:

Opper- Hoogte

Opper- vlakte boven Grootste

Meren. vlakte buiten den zee- diepte

in v.km. Zwitser- spiegel j in m.

land. in m. |

Meer van Genève 547,84 215,59 375 310

Meer vanConstanz 538,46 327,92 399 252 Meer van Neuch Éi-

tel 239,62 — 432 154

Langensee 214,27 172,11 197 365

Vierwoudsteden

Meer 115,48 — 437 214

Meer van Zurich 87,78 — 409 143

Meer van Lugano 50,46 30,97 274 288

Bieler Meer 42,16 — 432 76

Zuger Meer 38,25 — 417 198

Meer van Murten 27,42 — 433 46

Walenmeer 23,27 — 423 151

Klimaat. Het klimaat van Zwitserland is zeer verschillend naar gelang van de hoogte en de richting der gebergten. Het grootste gedeelte van het land helt af naar het noorden en is dus blootgesteld aau koude winden; geheel anders is het aan de zuidelijke helling van het gebergte. Vandaar het groote verschil dier beide Alpenhellingen in klimaat en plantengroei. De gemiddelde jaarlijksche temperatuuruitersten bedragen voor Bazel 31° en -14°, voor Zurich -30° en -14°, voor Altdorf, 30° en -11°, voor Bern 29° en -15°, voor Genève 32° en —11°, voor Lugano 30° en—7°, voor Sils-Maria 22° en—22°, voor Bludenz 31° en —16°, voor Sint Bernhard 18° en —22° C. Bij elke 100 m. stijging neemt de temperatuur gemiddeld 0,58° ('s winters 0,45° en 's zomers 0,70°) af. In de maanden van Mei tot Augustus valt de meeste neerslag; alleen in het W. en het Z. van Zwitserland zijn herfstregens gewoon. De hoeveelheid neerslag bedraagt gemiddeld voor Bazel 860, Zurich 1190,Einsiedeln 1620,Santis 2040, Chur 840, Bern 1020, Genève 790, Siders 560, St. Bernhard 1120, Bernardin 2240, Sils 990 en Lugano 1570 mm. In het Z. regent of sneeuwt het ongeveer 120, in het N. 160 dagen van het jaar. In de hooge Alpenstreek valt een groote massa sneeuw. Bij het hospice van den St. Bernhard bijv. bereikt zij vaak in een maand een dikte van meer dan 2 m. en bij Bevers (Opper-Engadin) bedekt een sneeuwkleed ter dikte van 3 m. niet zelden 5 tot 6 maanden lang de dalvlakte. Men heeft er dikwijls nevels, vooral in moerassige en vochtige streken. Een eigenaardige wind is de föhn (zie aldaar). In het algemeen is het klimaat in Zwitserland zeer gezond; vooral de berglucht is zuiver en versterkend. Daarom hebben de herstellingsoorden in de Alpen een goeden naam, terwijl eenige streken, die tegen koude winden beveiligd zijn, als verblijfplaatsen in den herfst en in den winter worden aanbevolen.

Planten - en dierenwereld. Naar den aard van het landschap en van zijn plantengroei onderscheidt men in Zwitserland vijf landschapstypen: het heuvelland tot een hoogte van 800. het bergland van 800—1200, het onderste Alpengebied van 1200—1 800, het bovenste Alpengebied van 1 800—2 700 en het sneeuwgebied boven de 2 700 m. Het heuvelland omvat voornamelijk de hoogvlakte. Hier heeft men vele bosschen van loofboomen, die inzonderheid uit eiken en beuken bestaan. Verder heeft men er ook veel naaldhout, vooral dennen en larixboomen. Het heuvelland is verder de streek van land-, ooft- en wijnbouw; maïs en wijngaarden komen alleen op de gunstigst gelegen plaatsen voor. Ook kastanjeboomen groeien aan de zuidelijke helling der Alpen, echter vindt men ze ook wel aan de noordzijde, zooals aan het Zuger en Vierwoudsteden Meer. In de laagst gelegen gedeelten van Tessino vindt men zelfs vijgen- en oranje-, granaat- en amandelboomen. Het bergland omvat de hoogdalen en plateau's van de Juraketen,de bergruggen en toppen van de Hoogvlakte en de laagste dalen der Hoog-Alpen. Het naaldhout krijgt de overhand op de loofboomen. Ook de ooftboomen en de rogge verdwijnen langzamerhand; haver, gerst en aardappelen komen nog voor. Meer en meer krijgen de bergweiden de overhand.Tot het onderste Alpengebied behooren de hoogste kammen van de Jura. de Voor-Alpen en de hoogdalen van de Alpen. Hier komen alleen naaldboomen voor, terwijl slechts op

Sluiten