Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rug- en buikzijde der pop.

waarvan men de temperatuur door ze dagelijks met V2-I0 te verhoogen op 22-25° brengt. Men gebruikt ook wel broedovens, die door een lamp verwarmd en door buizen geventileerd worden. Na 10—15 da-

w,n 9 v,n O gen komen de jonge rupni». rib. o. sen ^ voorschijn, die men

met behulp van jonge

moerbeziebladeren opneemt en in de kweekplaats op vlechtwerk neerlegt. Dit vertrek moet een temperatuur van ongeveer 21° hebben, terwijl voor een geregelde luchtverversching moetworden gezorgd. Voordat men de rupsen in dit vertrek brengt, moet het, evenals

alle voorwerpen, die men

gebruikt, goed worden schoongemaakt; wanneer het mogelijk is, worden zij ook gedesinfecteerd. Voor 25 gr. zaad (35—40 000 eieren) heeft men 70 kub. m. ruimte noodig. Om de twee of drie uur, de perioden van de vervelling uitgezonderd, worden de dieren gevoederd met het loof van den witten moerbezieboom. Voor 25 gr. zaad heeft men tot aan het inspinnen 780 kg. loof noodig; 1000 kg. loof geeft 60 kg. cocons. Met het groeien van de rupsen hebben zij meer ruimte noodig; wanneer zij pas uit de eieren te voorschijn komen, is voor 25 kg. zaad een ruimte van 0,3 v. m. voldoende, wanneer zij op het punt staan zich in te spinnen, bedraagt deze 70 v. m. Na de eerste vervelling moeten de matten, waarop de dieren liggen, met de uit¬

werpselen en de bladresten, dagelijks verwijderd worden; daartoe legt men netten of doorboord papier (fig. 4), bedekt met versch loof, op de rupsen, die dan weldra door de openingen kruipen, zoodat men de matten weg kan nemen. Na 30 of 35 dagen houden de rupsen op te eten; zij worden overgebracht in spininrichtingen, bestaande uit twee matten, waartusschen zich bundels droog stroo of

rijs bevinden. Acht dagen, nadat de laatste rups hierin overgebracht is, kan men de cocons verzamelen.

De zijderups is aan verschillende ziekten blootgesteld, die dikwijls een geheel broedsel vernietigen. Alle zieke rupsen vertoonen geringe eetlust en groeien weinig; verder geschiedt het vervellen onregelmatig. Bij de vlekziekte (pebrine, gattine) zijn

de inwendige orgaFig. 5. nen met een mikro-

organisme (nosema bombyses, zie Nosema), ook Cornaliasche lichaampjes geheeten,geïnfecteerd; op het dier vertoonen

zich uitwendig zwarte vlekken (fig. 5). Bij een geringen graad van de ziekte kan het dier zich inspinnen, verpoppen en in een vlinder veranderen; de microbe tast echter ook de eierstokken en de eieren aan, zoodat de nakomelingen van zulk een dier

Fig. 4.

Doorboord papier om de rupsen te verbedden.

Vlekkenzieke rups.

ook weer zieke rupsen voortbrengen. Een andere ziekte is de slaapzucht (jlacherie), die meestal vóór het inspinnen ontstaat. De daardoor aangetaste rupsen worden slap en sterven; zij verspreiden na enkele uren een onaangenamen reuk en worden zwart en breiachtig (fig. 6). Een groot broedsel kan binnen 2—3 dagen door deze ziekte geheel vernietigd

Fig. 6.

Slaapzuchtige rups.

worden. In den maaginhoud van de zieke dieren vindt men vele micrococcen en bacteriën. De oorzaak is verder niet bekend; een ondoelmatige wijze van kweeken bevordert het ontstaan van de slaapzucht zeer. De kalkzucht (muscardine) ontstaat door een zwam, botrytis Bassiana, die de inwendige forganen doorwoekert, de rups doodt, de huid doorbreekt en vervolgens witte sporen rondstrooit, die het dier geheel bedekken, zoodat het eerst een wasachtig, vervolgens een krijtachtig voorkomen verkrijgt. Door deze sporen verbreidt de ziekte zich zeer snel; voorwerpen en ruimten, die met haar besmet zijn, mogen in de eerste jaren niet weder worden gebruikt. De vet- of geelzucht ontstaat meestal tijdens het inspinnen; de omvang van de rups neemt toe, de huid wordt donker en scheurt licht, waarbij een troebel geelachtig of melkachtig vocht wegvloeit. De doode rups wordt zwart en breiachtig. De oorzaak van deze ziekte is niet bekend. Groote nadeelen brengt zij niet te weeg, en bij een goede wijze van kweeken komt zij niet dikwijls voor. Bij de tering, die een zeer langzaam verloop heeft, eten de rupsen niet en vermageren langzamerhand; zij worden doorschijnend bruinachtig en in de maag vindt men een heldere alkalische vloeistof, vol micrococcen. De doode rups droogt uit. De ziekte ontstaat meest na de derde of vierde vervelling en kan groote broedsels langzaam vernietigen. De ziekten, waaraan de zijderups onderhevig is, kunnen niet genezen worden; men kan alleen haar werking verminderen en haar ontstaan voorkomen, door in de eerste plaats goede eieren uit te kiezen en ze in de tweede plaats op een doelmatige wijze te verzorgen. Voor de voortplanting kiest men gezonde rupsen uit; houdt vervolgens de cocons en de vlinders afgezonderd en bewaart de eieren op een luchtige, koele plaats. Volgens de methode van Pasteur zondert men een paar vlinders , zoodra zij uitgekomen zijn, in een tullen zakje af, waar de paring plaats heeft en de eieren gelegd worden, en onderzoekt de vlinders, wanneer ze gestorven zijn, om na te gaan, of zij ziektekiemen bevatten.

Zijderupsenteelt. Zie Zijderups.

Zijdespinners is de algemeene naam van de vlinders, waarvan de cocons zijde leveren. Hiertoe behoort in de eerste plaats de zijderups of moerbeziespinner (bombyx mori, zie Zijderups), die de zoogenaamde echte zijde (zie Zijde) levert. Daarnaast staat de wilde zijde, die men van de cocons van andere vlindersoorten verkrijgt. De meeste rupsen, die de wilde zijde leveren, worden in de vrije natuur geweekt; hun zijde is duurzaam. Doordat zij geen zijdelijm bevat, neemt zij door de bewerking niet

Sluiten