Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een tweede naar den Bahr-el-Gazal en het FittriMeer. In de overige W.-A frikaansche bezittingen bestudeerde luitenant Labonne het Trarza-gebied in Mauretanië. A. Gruvel en R. Chudeau begonnen of zetten hunne kartografische opmetingen van de kuststreken voort, terwijl Ammann aan de Ivoorkust agronomische en Chautard in Fransch-Guinea mineralogisch-geologische studiën verrichtte, waarbij de laatste het voorkomen van ijzer bij Konakrv vaststelde. Parkinson, Owen, Byrde en Leighton deden sterrenkundige waarnemingen in Liberia en waren tevens op aardrijkskundig terrein werkzaam. A. Chevalier bestudeerde uitgebreide terreinen in het brongebied van den Niger uit plantkundig en algemeen-aardrijkskundig oogpunt, terwijl L. Frobenius voor ethnografische studiën den W. Soedan tot aan de bocht van den Niger doortrok. In dit jaar en ook nog in 1910 deed Gironcourt geologische en anthropologische onderzoekingen in het Niger-gebied, waartegenover Meniaud het militaire Nigerterritorium tusschen het TsaadMeer en Timboektoe onderzocht met het oog op de vruchtbaarheid van zijn bodem. Luitenant Desplagnes voltooide een tocht van twee jaren door het achterland van de Fransche koloniën aan de kust van Guinea, methetzelfde doel ondernomen. In Spaansch Guinea, ten Z. van de Campo, verrichtte G. Teszmann, evenals in de beide voorafgaande jaren, ethnografische, plant- en dierkundige onderzoekingen, welke tevens haar afsluiting vonden.

Aequatoriaal Afrika werd vooral in het O. door reizigers bezocht. Alluaud hield zich, gedeeltelijk ook reeds in 1908, bezig met onderzoekingen omtrent de fauna en de flora in het gebied van den Kilimandsjaro, den Kenia en den Roewenzori en van het Albert-Meer. Ook de expeditie van het Britisch Museum onder R. B. Woosnam richtte zich naar den Roewenzori, terwijl A. Berger van den Kenia naar het Elgonmassief en vandaar naar den Nijl trok. De gouverneur van het Britsch Oegandagebied, H. H. Bell, bereisde de provincie Boesoga; in de distrikten Bwekoela, Boegangadzi en Boegaya stelde H. B. Lewin een onderzoek in naar de holen en grotten. F. H. Hardi bezocht Britsch Nyassaland tot het vaststellen van den omvang van de tropische ziekten. Een onderzoek naar de toegankelijkheid van het Nyassa-Meer van af de kust van Mozambique met het oog op den aanleg van een spoorweg, stelde majoor Stevenson-Hamilton in.

"Wat O o s t-A f r i k a betreft, wijdde in Duitsch Oost-Afrika de Tendagoeroe-expeditie onder Janensch en Hennig zich aan het nader onderzoek van de vindplaatsen der dinosauriërs in de krijtformatie, terwijl de Hamburgsche expeditie onder Keysselitz en Mayer de protozoë-parasieten bestudeerde en P. Pageier in Oesambara en in de Mkatta-steppe een onderzoek deed naar de gesteldheid van den bodem uit landbouwkundig oogpunt. De aëronautische expeditie, in 1908 onder Berson naar het Victoria-Meer gezonden om den Indischen Z. W. moeson aan het punt van zijn oorsprong te bestudeeren, keerde met belangrijk materiaal terug. Denninger stelde een onderzoek in naar de bevaarbaarheid van de Roefidsji. In Portugeesch O. Afrika deed Spring sterrenkundige waarnemingen, alsmede wegbepalingen aan de Chindi en de Voeboea.

In W. Afrika bestudeerde J. J. Harrison aan de Itoeri, een rechter zijrivier van den Kongo, de

dwergvolken van de aequatoriale wouden, terwijl F. Starr de albino's onder de Negers tot onderwerp van studie maakte. Een Engelsche expeditie voor anthropologische en ethnografische onderzoekingen onder E. Torday beëindigde in 1909 haar in 1907 begonnen reis in liet Kassai- en Sankoeroe-gebied. Ledermann en Riggenboch beëindigden een plantkundige expeditie in Kameroen. O. Zimmermann stelde vast, dat de stammen der Ntoem en der Mwei behooren tot het volk der Fan.

In Z u i d-A f r i k a voltooide Dinter een in 1908 ondernomen reis door de W.-lijke gedeelten van Duitsch Z.-W. Afrika, welke hij geschikt vond voor den aanplant van olijven. Von Rappard en G. M. Stiller trokken, onafhankelijk van elkander, dwars door de duinstreek (Namib). Scheibe deed in de buurt van Gibeon en Berseba onderzoekingen ten behoeve van mijnbouw-maatschappijen. In de landstrook Caprivi onderzocht F. Seiner het Hoekwe-, Make- en het Koengveld. Streitwolf bereisde het terrein tusschen de Okowango en de Zambesi. J. Brunnthaler deed in Kaapland, Rhodesia en Natal biologische onderzoekingen, F. H. Hatch verrichtte exploraties naar den bodemrijkdom van Natal, J. M. Mouiray hield zich in N. W. Rhodesia bezig met de karteering van de Kafoeï en de Loesenfwa, IC. Peters deed aan de Zambesi onderzoekingen omtrent het Bijbelsche Ophir. Het belangrijkste echter van alles wat in de latere jaren is ondernomen, was de expeditie van den Oostenrijker R. Poech, welke van 1907 tot 1909 duurde en waarbij hij van uit Duitsch Z.W. Afrika, over het Ngami-Meer en over Palapye naar Matabelen- en Masjona-land trok. Hij bezocht Simbabye en bereisde Beetsjoeanen-en Griqualand, alsmede de Kalahari tot aan de Duitsche grens. Daarna nogmaals Z.waarts trekkend, bereikte hij over Rietfontein Upington, waar de expeditie werd ontbonden. De resultaten van zijn onderzoekingen kunnen op het oogenlbik aldus worden samengevat, dat de Beetsjoeanenrassen, vroeger over een groote oppervlakte van Afrika verspreid, in zuiveren toestand thans nog alleen worden aangetroffen aan de Oranje rivier.

Wat de eilanden betreft, hield Boyd Alexander zich op de Guinea-eilanden bezig met vergelijkende studiën tusschen de fauna van het vasteland en die van de eilanden.#.Scott koos de Seychellen tot arbeidsveld, C. F. Fryer werkte op Aldabra. J. Stanley Gardiner bezocht verschillende eilanden nabij Afrika in den Indischen Oceaan.

In 1910 werd meer dan één van de genoemde expedities en reizen, zooals bij sommige reeds is vermeld, voortgezet of beëindigd. Hertog Adolf Friedrich von Mecklenburg ondernam een tocht naar het binnenland, vooral met het oog op Fransch Oebangi. In Augustus van Leopoldville opgebroken, moest de expeditie, daartoe door gevechten tusschen de stammen gedwongen, te Libenge aan de Oebangi splitsen. Een gedeelte trok langs de Sanga stroomopwaarts naar Z. Kameroen, een tweede nam het onderzoek van de Oebangi tot Semio voor haar rekening, terwijl het derde gedeelte van uit fort Archambault aan de Sjari W.waarts tot Kameroen en O.waarts tot Ndele onderzoekingen verrichtte met de bedoeling om zich aan de Oeëlle met de tweede te hereenigen. Waardevolle dierkundige verzamelingen bracht Fromm na een verblijf van iy2 jaar in Duitsch O. Afrika mede. In het landschap Jrangi on-

Sluiten