Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tibet, waar zij tusschen Khamba-Tsjang en Shigatse opnamen hadden gedaan. Lesdain trok in 1904 met zijn echtgenoote door het landschap Ordo aan de Hoang-ho, bezocht Alasjan, waar hij nasporingen deed naar de ruïnes van oude steden, waarvan Chineesche schrijvers melding maken, drong door tot aan de bronnen van de Yang-tse-Kiang en bereikte over Amdo den Tengri-Nor. Over Sjigatse en Gyantse kwam hij in 1905 te Sikkim. Het echtpaar Rickmer ging van het Sarafsjantal over den Matsja-pas naar Garm, over het Peter de Groote-gebergte naar Darwas en vandaar naar Boekhara. H. Calvert ondernam in Juli 1906 een reis naar W. Tibet, II. Leder trok van Kiachta, dwars door geheel Tibet, naar Lhassa, waar hij door den Dalai Lama werd ontvangen. G. von Mannersheim trok in de jaren 1907— 1909, van Kasjgar uit, driemaal door den Tiënsjan; hij bereisde O.lijk Tibet en bereikte langs de Hoangho Kalgan. J. Bacot bereisde in 1907 de streken tusschen de Saloeën en'de Sangpo-Brahma-poetra. Op een tweede reis in hetzelfde jaar trachtte hij door te dringen tot Tibet. Het oproer van de grensstammen tegen China dwong hem echter om te Ta-tsien-loe terug te keeren. B. Laufer begon, in opdracht van het Field-Mu seum te Chicago, in 1909 een reis door Tibet. Hij vertrok van Ta-tsien, bezocht den inboorlingenstaat Derge, vanwaar hij naar Lhassa op marsch ging. De geoloog J. Prinz vertrok in 1908 van Andisjan naar den Z.lijken Tiensjan; ook bezocht hij het Kisiljartgebergte. A. von Schultz trok in 1909 in de richting O.—W. door Panur, waarbij hem bleek, dat van een hoogvlakte niet kan worden gesproken, omdat overal hooge sneeuwketens voorkomen. De geoloog P. Groéber ging op het einde van October 1908 naar den Z.lijken Tiensjan, vanwaar hij in 1909 terugkeerde. De Rus S. F. Oldenburg begaf zich in 1909 naar Toerfan om het werk van Beresowski voort te zetten. Een Russische expeditie onder G. K. Kozlow werkte in 1908—1909 in Mongolië en in de Chineesche provincie Kansoe. 15 km. O.lijk van den Edsingol werden de ruïnen van een oude, Chineesche stad gevonden, welke waarschijnlijk Hsihsia, de hoofdstad van het rijk der Tangoeten is. In 1911 ging er onder zijn leiding een nieuwe expeditie naar Tibet.

De Engelsche dierkundige D. Carruther vertrok in 1910 met J. H. Miller en M. P. Price naar N.-W.lijk Mongolië. Hij trok overhetSajamisch gebergte, voer den Beikem op, bezocht den Oelessa. Oerja- en den Atsjit-Nor, trok door den Oermogaitoe-pas over den Grooten Altai en bereikte ten slotte Koeldsja. Het Sajanisch gebergte blijkt uit afzonderlijke groepen te bestaan. Een handelsexpeditie ondernamen in 1910 M. N. Sóbolew en M. P. Bogoljepow. Zij bezochten Kosj-agatsj, een belangrijke stapelplaats aan de Mongoolsche grens; van hier ging de eerste N.waarts naar de Russische factorijen aan den Kemtsjik en de Jenissei, terwijl Bogoljepow Oeljossoetai en Oerga bezocht. De Japannees Z. Tachibana deed in den zomer van 1908 een reis van Peking naar Leh. Na zijn terugkeer begaf hij zich naar Russisch Turkestan om vandaar naar Hami te trekken, waar hem zijn begeleider Hashiramolo wachtte. Later zette'hij de reis naar Soetsjoe voort. Einde 1910 keerde cCOUone terug van een reis door W. China, Tibet en Mongolië; hij bracht afschriften van meer den 200 inscripties mede.

i China, Korea en Jaipan. E. C. Young bereisde Z. China. Hij vertrok van Tonkin, bereikte in Decem¬

ber 1905 de Saloeën bij'Loekon, waarna hij in 1906 in Opper-Birma aankwam. G. Wegener ondernam in 1906 een reis door de provincie Kiangsi in haar lengterichting. In N.W.lijk Mongolië onderzocht S. P. Peretoltsjin den Kossogol. Een winterreis door Sjantoeng en N. Kiangsoe deed W. Anz in 1902. De Engelsche ingenieur W. Parsons slaagde er in 1902 in om den landweg tusschen de Yang-tse-kiang en de Sikiang langs den zoogenaamden Tsjolingweg op te nemen. De Marsay begon in het voorjaar van 1906 een reis door W. Sz'tsjwan. In Japan bereisde W. Campbell het binnenland van de provincie Taichoe, terwijl W. von Richtershofen in 1900 een reis door Formosa deed. Een uitbarsting van den vulkaan Torishiwa op de Bonijn-eilanden gaf aanleiding tot het uitzenden van een expeditie onder S. Yschiwara. S. Genthe bereisde in 1901 Korea en Quelpart. F. Doflein deed in 1904—1905 voor oceanografisch-geologische studiën een reis door Japan, waarbij hij vooral de Saganu-baai ten Z. van Tokio onderzocht. De Lacoste en du Chazaud bezochten in 1909 Mongolië en vonden de plaats van den geheel verdwenen ouden Karakoroem, waarop thans het klooster Erden-dsoe staat. N.waarts daarvan vonden zij de ruïnes van een oude vesting. Van hier kwamen zij te Kaclio-Tsaidam, de oudste hoofdstad van de Toekins, waarna zij, Z.waarts gaande, op het einde van Augustus Oeliassoetai bereikten. G. Ramstedt en Palsi ondernamen in 1909 van uit Peking een archaeologische reis naar N. Mongolië door de woestijn Gobi naar Oerga. Te Orchantal copiëerden zij een steen met een inschrift van 6000 letters. W. Saposjnikow bezocht in 1909 voor de vierde maal den Mongoolschen Altai. De Tabijn-bogdo en zijn gletschers werden onderzocht, terwijl de Witte Kobdo, de Obroetsjew en de Zwarte Kobdo in kaart werden gebracht, waarbij hij tevens eenige gletschers ontdekte. W. Dorogostaiska trok voor dier-geografische studiën dwars door N.-W. Mongolië. De Amerikaan R. S. Clark bereisde in 1907 met 3 Engelschen de provincies Shansi en Sjensi; hij ging tot Joelingfoe aan den Grooten Muur en van daar over Jenanfoe naar Lantsjoefoe. J. G. Granö keerde in 1909 terug van een reis door Mongolië; in het gebied Oeliassoetai-Oerga-Kiachta vond hij sporen van den Ijstijd. De Belg F. Harzfeld ontdekte op een reis door China in de jaren 1903—1904 in Hoenan rijke ertsbeddingen. W. N. Fergusson deed een zendigsreis door N.W. Sz'tsjwan, E. Chavannes een archaeologische reis door de Chineesche provincies Sjantoeng, Honan en Sjansi. T. Smith en J. Edgar trokken in 1904 van af Kwanhsien langs de Groote en de Kleine Goud-rivier naar Tatsjienloe. A. P. Legendre ondernam in 1908 in Sz'tsjwan een reis van Tsjöngtoe naar Kientsjang voor ethnografische studiën onder de Lolo's. Toussaint bevoer in 1907 den BovenJang-tse-Kiang. L. H. Meares deed met J. W. Brooke en gedeeltelijk ook mét W.N.Fergusson in 1908 een reis in W. Sz'tsjwan. Zij bezochten den berg Omi en de holenwoningen in den rooden zandsteen. Te Ningjoenfoe begon Brooke een tocht door het Lologebied, waarop hij werd vermoord.

De Engelschen Litton en Forrest hadden in 1905 het nog niet bekende gedeelte van den Saloeën bezocht. Intusschen deed Forrest na den dood van Litton eerst in 1908 mededeelingen omtrent hun reis, die hen van de Saloeën naar de Mehkong had gevoerd. Twee Duitschers, Brunhuber en Schmitz, die

Sluiten