Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1908 van Weihsi vertrokken om de Saloeën op te nemen tusschen het punt, tot waar de beide voorgaanden in liet Z. en dat,' tot waar prins Hendrik van Orleans in het N. gekomen was, vonden daarbij den dood. In de nabijheid van de dorpen Omati, Naba en Laowoe werden zij in het begin van 1909 vermoord. M. Diehr bezocht het eiland Hainan; C. Madrolle trachtte in het binnenland van Fandsia den Woedsjisjan, het massief der vijf vingers, op te nemen. Een expeditie van het Departement of Terrestval Magnetisme van het Canegie-Instituut onder C. Solvers deed in ,1909 magnetische waarnemingen in China en Chineesch Turkestan. J. Bacot ondernam een ontdekkingsreis in de Chineesch-Tibetaansche grenslanden. Ch. de Polignac en J. Faure vertrokken in Februari 1910 van Tsjentoefoe voor een onderzoek van den bovenloop van de Yang-tse-kiang. Over Jatsjou en Ninggoeënfoe kwamen zij te Telipoe aan den Yaloeng, een zijrivier van de Yang-tsekiang. Een tocht stroomopwaarts langs de Yaloeng mislukte, waarna de Boven-Yang-tse-kiang bevaren werd tot Tselikiang. Majoor G. Pereira begaf zich in Juni 1910 van Kalgan naar het Ordo-gebied met de bedoeling om over land Birma te bereiken. Vier Belgische vakmannen: De Deken, R. Geerts, Scaillet en Gontelier begonnen, in opdracht van de Chineesche regeering, in 1908 met het ontginnen van de kopermijnen bij Ya-Kai.

Achter-Indi'. E. L. Achard bereisde Z. Anam, A. Grubauer bezocht de oerbewoners van Centraal-Malaka; naar zijn meening gaan zij, door de Maleiërs naar de oer-wouden verdrongen, hun ondergang tegemoet. Diguet publiceerde in 1906 de resultaten van een 16-jarig onderzoek naar de sociale verhoudingen onder de Anamieten. K. Hosseus deed in 1904—1905 voor plantkundige doeleinden reizen in Anam; o. a. bezocht hij de Laos-landen. In September 1908 aanvaardden Brunhuber en Schmidt een reis over Bhamo naar den Saloeën (zie boven). In opdracht van de regeering van Kambodsja bezocht Lunet de Lajonquière de distrikten, welke bij het verdrag van 1907 aan Kambodsja waren toegekend, voor het doen van archaeologische nasporingen; verder onderzocht hij Battambang, Sjantaboem en Pachim en eindelijk de Maleische provincies van Siam. C. B. Klosz bereisde de Andamanen en de Nikobaren voor de vorming van natuurwetenschappelijke en ethnografische verzamelingen. R. Brown bezocht in 1906 met N. Rudmose en J. J. Simpson den Mergoei-Archipel tegenover de Birmaansche provincie Tenasserim. De 200 eilanden worden bewoond door schuwe Seloengs, waarschijnlijk aan de Maleiers verwant. In hetzelfde jaar stelde hij een ethnografisch onderzoek in op de Andanamen, vooral naar de Onges op Roetlandeiland en op de Kleine Andamanen. E. D. Merrill beklom voor het eerst den Mount-Halcon, den hoogs ten top van Mindoro; de berg is met een weelderige plantengroei bedekt. C. Worcester bestudeerde in 1900— 1906 de stamverhoudingen der niet-Christelijke inboorlingen van N. Luzon. De Amerikaan II. J. Willis meent, op grond van een reis in 1904, dat de Philippijnen niet voor kolonisatie door blanken geschikt zijn. W. Jones, die door het Field-Museum te Chicago was uitgezonden om anthropologische onderzoekingen op de Philippijnen te doen, werd aldaar den 28sten Maart 1909 door inboorlingen vermoord. C. H. Shamel ondernam in 1910 een tocht naar de Philippijnen om er het mijnbouwwezen, de geologische en

landbouwkundige verhoudingen te bestudeeren. De gebroeders Sonnary-Marton voeren van Mandalaide Irawadi tot Bhamo op. Daarna trokken zij dwars over de bergruggen en bereikten op het einde van Maart 1910 Yunnan, vanwaar zij naar Hanoï trokken.

Voor-Indië. H. H. Risley werd door de Britsch-Indische regeering in 1901 belast met de leiding van het ethnografisch onderzoek van Britsch-Indië. In 5 jaren moest dit onderzoek afgeloopen zijn. A. Crowley, Jarcot-Guillemard, M. Pache en Ch. A. Reymond deden in den zomer van 1905 een poging, om den 8583 m. hoogen Kantsjindsjinga, op drie na den hoogsten top van den Himalaja, te beklimmen. Op 6400 m. hoogte werden zij echter overvallen door een lawine, waardoor Pache en 3 inlandsche gidsen den doodvonden.MevrouwBwïZocfr-Wortaanbeklom den 303ten Juli 1906 een 7060 m. hoogen bergtop in de Noenkoenketen, Z.W.lijk van Leh. Een Indische zending onder C. White volgde een nieuwen weg van Sikkim over den Nathoela-pas en de MassongChandongketen naar Bhoetan. De Noren C. W. Rubenson en M. Aas beklommen voor de tweede maal zonder gids den Kabroe (7325 m.) in Sikkim. T. H. Longstaff, A. L. Mumm en majoor C. G. Bruce beklommen in den zomer van 1907 den 7022 m. hoogen Trifoel in den Midden-Himalaja in N.W.lijk Nepal. Ook bezochten zij de gletschers van den 7757 m. hoogen Kamet, dien zij tot 6000 m. hoogte beklommen. Ook D. W. Freshfield met J. N. Collie en A. Neve ondernamen bergtochten in den Himalaja, terwijl S. Ward en Stevens tochten deden in het bergland der Misjmi, N.O.lijk van Sadija. Het bleek dat de Gaurisankar, tot dusver als identiek met den Mount Everest, den hoogsten berg der aarde, beschouwd, slechts een voorberg is van 7144 m. hoogte.

In opdracht van de regeering, daartoe door de Royal Society te Londen opgewekt, organiseerden Gore en Eliot in 1901 een aardmagnetische opneming van het land; begonnen werd in de provincies Sind en Pendsjaab en op het einde van 1904 waren reeds 600 stations afgewerkt. J. S. Gardiner publiceerde in 1904 en 1906 de resultaten van zijn onderzoek op de Malediven en Lakkadiven. Ook A. Agassiz bezocht de Malediven, n.1. voor het bestudeeren van de koraalriffen. De Engelsche ingenieur C. White, die in Sikkim lange jaren aan den aanleg van wegen had gewerkt en daardoor het vertrouwen van de bewoners van het naburige Bhoetan had verworven, slaagde er in 1906—1908 in om het overigens zeer afgesloten Bhoetan 5 maal in alle richtingen te doorkruisen. Het bergstelsel bestaat volgens hem uit een reeks van evenwijdige ketens, welke, voornamelijk in Z.lijke richting, van den hoofdketen van den Himalaja uitgaan. De plantengroei vertoont alle afwisselingen tusschen een subtropische en polaire plantenwereld. De bevolking schijnt in aantal te verminderen.Bhoetan is een priesterstaat; de godsdienst is het Tibetaansch Boeddhisme. N. Williamson deed van November 1907 tot Januari 1908 een tocht langs de Lohit, de O.lijke zijrivier van de Brahmapoetra en bracht li aar voor het eerst in kaart. Het echtpaar Bullock—Workman slaagde, vergezeld door de Zwitsersche topografen C. Calciati en M. Iioncza, er in 1908 in om den Hoenza-Nogar- en den Hispar-gletscher nauwkeurig op te meten en de veranderingen na te gaan, welke na zijn laatste bezoek en na dat van den Geological Survey of India in de aange-

Sluiten