Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzocht verder het Toewoeti-Meer, alsmede twee nog onbekende bekkens, maar moest toen vanwege den regentijd de verdere reis opgeven. In 1910 ondernam hij opnieuw een tocht dwars door Celebes, en wel in het midden, van het O. naar het W. Van het Z. uit reisde hij over het Poso-Meer naar het landschap Badè, en langs den Lariang naar de W.kust. De opvatting, dat Celebes zou bestaan uit een centraal bergmassief, waarvanuit een bergketen naar ieder van de vier schiereilanden zou loopen, moet volgens Abendanon voor goed opgegeven worden. J. de Koning-Knijf en H. Cool trokken in 1909 dwars door Z.W.lijk Celebes. R. A. Eckhout bezocht in 1910 de plaats van de groote uitbarsting van den Krakatau in 1883. Het Prinsen-eiland en het schiereiland Djoenkoelan aan de W.punt van Java vond hij woest en onbewoond. Op beide komt veel magneetijzerzand, alsmede steenkool voor. Kleiweg de Zwaan deed in 1910 anthropologische onderzoekingen en metingen op het eiland Nias. Het N.lijk gedeelte is slechts spaarzaam bevolkt; in het Z. liggen de dorpen, bestaande uit paalwoningen, op heuvels. De kleine, onvoldoend gevoede inwoners staan op een lagen trap van ontwikkeling. De gezondheidstoestand laat, wegens het heerschen van dysenterie, pokken en malarie, te wenschen over. In verband daarmede kon het onderzoek dan ook niet geheel ten einde gebracht worden. Toch werden nog 1300 menschen gemeten en konden zoölogische en ethnografische verzamelingen worden aangelegd. J. Wanner bezocht in 1909 de eilanden Misol, Halmaheira, Obi en Timor. Op Misol kon hij een rijk gelede opeenvolging van lagen van het trias tot het jongere tertiair aantoonen. Ook op Timor had hij veel succes. Een systematisch wetenschappelijk onderzoek van dat

eua.ua weru verricnt aoor U. A. F. Molengraajf. A. Heim deed in 1910 geologische onderzoekingen op de Soenda-eilanden, terwijl G. P. Rouffaer en majoor Spruyt, in opdracht van de regeering, in 1910 de Solor- en de Alorgroep ten O. van Flores bereisden. C. J. Deninger, O. D. Tauern en E. Strefemann vertrokken in 1910 naar de Molukken om op deze eilanden een aardrijkskundig, geologisch, anthropologisch en dierkundig onderzoek in te stellen. Zoowel op deze als op een tweede expeditie, Januari-April 1912, werd vooral het eiland Boeroe doorkruist. Voor Nieuw-Guinea, zie aldaar (A).

Isabeau, staat dat zij huwde in 1315, lees: 1385.

Israëlieten, staat: zie Joden, lees: zie Palestina, Geschiedenis.

Italië. Nadat het parlement in Januari 1909 een wetsontwerp had ingediend, waarbij op sommige belastingen een toeslag van 5 % voorgesteld werd, om de regeering de middelen te verschaffen ten einde te kunnen voorzien in den ergsten nood in Calabrië en op Sicilië, alsmede om de bij de aardbeving op Sicilië en Z.-Italië vernielde regeeringsgebouwen weder te kunnen herstellen, werd het in de zitting van den 7<ien Februari 1909 ontbonden. De nieuwe verkiezingen, welke in het begin van Maart plaats vonden, gaven weliswaar het ministerie nog een meerderheid, maar zij versterkten toch de oppositie. Hoe weinig zeker daarenboven die meerderheid, welke op 340 van de 510 zetels kon worden geschat, was, bleek den 31sten Mei, toen de regeering, om haar weifelende kerkelijke staatkunde heftig aangevallen, slechts met 270 tegen 72 stemmen van de uiterste linkerzijde een motie van vertrouwen zag aangenomen, terwijl de

middel-partij zich van stemming onthield. In de voorjaarszitting kwam een vraagstuk aan de orde, dat langen tijd op de staatkundige agenda zou blijven. Den 30sten Juni 1910 liep de overeenkomst van de regeering met de maatschappij Navigazione generale ten einde, waardoor een nieuwe regeling van de rijks-subsidies urgent werd. De regeering stelde voor om den Italiaanschen Lloyd het leeuwendeel van deze subsidies tot een bedrag van 19 millioen lire en voor den duur van 26jaar toe te kennen. In de Kamer en ook in het land vond dit voorstel de heftigste bestrijding. Ook achtergestelde, plaatselijke belangen mengden zich in het spel. Op Sicilië, vooral te Palermo, kwam het in Juni 1909 tot zeer hevige volksbetoogingen. Verwerping van het voorstel kon Giolilti alleen voorkomen door van verdere behandeling af te zien (8 Juli) en te beloven, dat een nieuwe uitschrijving voor het vergeven van rijkssteun aan scheepvaartlijnen zou plaats hebben. Maar ook op die wijze kon het ministerie zijn leven nog slechts gedurende enkele maanden rekken. Het gewijzigd ontwerp van de wet op de handelsmarine, vond in de Kamer, welke den 18den November weder bijeen gekomen was, opnieuw ernstige bestrijding. Giolitti trachtte de oppositie over te brengen op ander terrein, door den volgenden dag reeds een programma voor een omvangrijke belastingherziening in te dienen: verlaging van den sukeraccijns, progressieve verhooging van de inkomstenbelasting voor inkomens van meer dan 5000 lire en versterking van de belasting op de nalatenschappen, benevens een aantal punten, betrekking hebbende op de exploitatie der spoorwegen. Wel gelukte deze toeleg van de regeering, maar de oppositie zelf bleef bestaan. Bij het kiezen van de voorzitters der afdeelingen, waarin deze v oors tellen zou den worden onderzocht, werden215 stemmen tegen en slechts 189 vóór de regeering uitgebracht. Zonder een uitspraak van de Kamer over de ontwerpen zelf af te wachten, dipnde het ministe¬

rie den 2aea December zijn ontslag in.

Ofschoon slechts over een kleine groep in de Kamer beschikkende, werd Sonnio den 10"en December met de vorming van een nieuw ministerie belast. Zijn Kabinet bestond in hoofdzaak uit aanhangers

van de rechterzijde en van het centrum, o. a. Guicciardini voor Buitenlandsche Zaken, Luzzatti voor Openbare Werken, Salandra voor Financiën en admiraal Bettolo voor Marine. Voor Oorlog werd generaal S-pingardi uit het vorige ministerie overgenomen Het Kabinet vond van meet af geen meerderheid in de Kamer. Het hing voornamelijk af van Giolitti, die het eenigen levensduur gunde om het netelige vraagstuk van de handelsmarine op te lossen. Zoover kwam het echter niet. Wel kreeg het op zijn programma van hervormingen, waarmede het den llden Februari 1910 voor de Kamer trad, den volgenden dag een motie van vertrouwen, maar het ontwerpscheepvaartwet, door minister Bettolo uitgewerkt, werd bijna nog heviger aangevallen dan de beide voorafgaande. Zeker van zijn nederlaag, diende Sonnino, zonder de verwerping van de Kamer af te wachten, den 21st™ Maart zijn ontslag in. Het tweede Kabinet-Sonnino had, evenals het eerste, juist ongeveer 100 dagen bestaan. Als plaatsvervanger van Giolitti slaagde Luzzatti er den 31st«n Maart in om een nieuw ministerie te vormen. Zijn programma, den 28su'n April in de Kamer ontwikkeld, omvatte o. a. een hervorming van de verkiezing van de Ka-

Sluiten