Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J.

Janssen. Peter Wilhelm, staat: 1887, lees: 1867.

Japan. Nadat Sakaiani was afgetreden, nam het ministerie-Saianji in Juli 1908 ontslag. Markies Katsoera werd opnieuw met de leiding belast, terwijl vicomte Komoera optrad als minister van Buitenlandsche Zaken. Ondanks den tegenstand van de Militaire Partij, schrapte het ministerie belangrijke bedragen van de begrootingen van Oorlog en Marine en deed het voorstellen tot een sterkere aflossing van de staatsschuld. Daardoor vond het steun bij de natie, terwijl het parlement zich zeer volgzaam toonde. De verbeterde financiëele toestand maakte de uitbreiding van het spoorwegnet en een conversie van de buitenlandsche staatsschuld mogelijk. De Militaire Partij trachtte men gunstig te stemmen door een krachtige buitenlandsche staatkunde. Een voorstel van China om een zestal kwesties, gevolg van den oorlog, voor het scheidsgerecht te 's Gravenhage te brengen, werd afgeslagen. Japan daarentegen stelde een compromis voor, waarbij aan China het grensgebied Tsjientao en aan Japan zijn aanspraken op de spoorwegen en mijnen in Mandsjoerije zouden worden toegewezen. Een ultimatum bezorgde Japan den 7den Augustus 1909 wat het wenschte; China zou geen nieuwen spoorweg als concurrent van den Z. Mandsjoerijschen bouwen en zich niet langer verzetten tegen de verandering van den gedurende den oorlog aangelegden veldspoorweg Antoeng—Moekden. Ook in Korea veranderde Japan zijn staatkunde. Had Ito de positie van den keizer nog in Januari 1909 trachten te versterken, door hem een rondreis door het land te laten doen en had hij in April 1909 de Koreaansche regeering deel laten nemen aan de in Japan opgerichte kolonisatie-Maatschappij voor Korea, sedert Juli 1909 begonnen de maatregelen om het schiereiland onder het rechtstreeksch gezag van Japan te brengen. Het ministerie van Oorlog werd opgeheven en de regeling van de rechtspraak trok Japan aan zich. Vorst Ito, die met dezen loop van zaken ontevreden was, werd als resident generaal vervangen door vicomte Sone. Omtrent het spoorwegwezen in Mandsjoerije wenschte Japan met Rusland tot overeenstemming te geraken. Daartoe zou vorst Ito een bijeenkomst met den Russischen minister van Financiën, Kokokzeff, te Charbin hebben. Bij die gelegenheid schoot een Koreaan hem den 25sten October 1909 aan het station dood. Van de daardoor veroorzaakte vertraging maakten de Vereenigde Staten van N.-Amerika gebruik, om door den staatssecretaris Knox, in November 1909, aan de groote mogendheden de neutraalverklaring van de Mandsjoerijsche spoorwegen te doen voorstellen. Het antwoord daarop was het Japansch-Russisch verdrag van den 4den Juli 1910, dat de maatregelen van een gemeenschappelijk verweer tegen dezen inbreuk op het bezit van beide rijken in Mandsjoerije omvatte. Intusschen was Japan ook ten opzichte van Korea steeds verder gegaan, waarna den 22sten Augustus 1910 de formeele annexatie van het land

volgde. Door haar terstond te erkennen, voorkwam Rusland inmenging van de mogendheden ten gunste van de staatkundige zelfstandigheid van Korea.

Ondanks zijn succes in de buitenlandsche staatkunde, welke zich in de binnenlandsche weerspiegelde door de gewelddadige onderdrukking van de sociaal-democratische beweging, waren parlement en pers met het ministerie-Katsoera ontevreden. Sedert den oorlog van 1904—1905 bleef de zware belasting gehandhaafd en dat ook de staatschuld, ondanks het schulddelgingsfonds sedert 1908 toenam, leidde tot ontgoocheling. Bovendien koesterde Eatsoera het plan om het spoorwegnet op normale spoorwijdte te brengen, waarvoor hij in een tijdsverloop van 5 jaar 183 millioenen noodig had. Met dat doel bood hij het parlement een tariefontwerp aan, dat den 17den' Juli 1911 in werking zou treden. Inmiddels was duidelijk gebleken, dat het overdreven protectionisme, met uitvoerpremiën, subsidies aan de scheepvaart onder eigen vlag, e. d. den economischen toestand van het rijk niet versterkte.

Den 12den Juli werd een mislukte aanslag gepleegd op den keizer; een anarchistisch complot werd ontdekt en 26 beklaagden werden den 9den November ter dood veroordeeld. Deze aanslag was het sein voor het inslaan van een meer reactionnaire richting bij het binnenlandsch bestuur. Door hernieuwde propaganda voor het Shintoïsme, dat den voorvaderen van den keizer goddelijke vereering bewijst en ook door het onderwijs trachtte men de aanhankelijkheid aan het keizershuis te bevorderen. In Januari 1911 werd opnieuw een complot tegen het leven van den keizer ontdekt. Met Engeland, de Vereenigde Staten en Frankrijk werden nieuwe handelsverdragen gesloten. Door concessies trachtte Japan daarbij deze mogendheden te bewegen om de extraterritorialiteit van haar onderdanen in Korea prijs te geven. In het verdrag met Engeland van den 5den April 1911 slaagde het daarin volkomen. In ruil voor enkele gunstige uitzonderings-bepalingen bij de invoerrechten zag Engeland af van de rechten, welke zijn onderdanen in het voormalig koninkrijk Korea hadden genoten, met uitzondering van de handelsvrijheid, welke nog 10 jaar zou voortduren. De Vereenigde Staten wilden slechts de beperkende bepalingen omtrent de Japansche immigratie laten vervallen.

In Augustus 1911 trad het ministerie-Katsoera af. Als minister-presidentjtrad op markies Saionji. Het nieuwe Kabinet streefde, in verband met den ongunstigen economischen toestand, naar een zuiniger beheer. Op de begrooting van 1912 werd dit toegepast bij uitgaven voor leger en vloot, ofschoon, door verdeeling van de betaling over een langeren termijn, deze zuinigheid althans gedeeltelijk slechts schijn is.

Joeantsikai. Zie Yuan Sji Kai.

Jal, Kornelis Korneliszoon, staat: aanvang der 15de, lees: 17de eeuw.

Sluiten