Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan. Hij gaf Moelei Hafid terstond een voorschot op de leening, ten einde hem in staat te stellen, zijn soldaten te betalen, en nam verder het besluit zoo spoedig mogelijk Fransche troepen naar Fez te zenden, ten einde het leven van de Europeanen aldaar te beschermen. Aldus nam kapitein Morceaux, die op denzelfden dag met 4 officieren en evenveel onderofficieren als instructeurs van een mahalla, welke zou gevormd worden, van Tanger naar Ksar-el-Kebir vertrok, den noodigen geldvoorraad mede om dezen troep te kunnen betalen en om tevens aan Brémond's mahalla met een proviandtrein de benoodigde middelen te kunnen zenden. Tegen het tweede besluit verzetten zich Duitscliland en Spanje. Frankrijk kon er zich echter op beroepen, dat inmiddels Moelei Hafid zelf om hulp gevraagd had. Deze evenwel had slechts verzocht om de vorming van een harka (expeditiecorps) tot ontzet van Fez, terwijl de voorbereidselen van Frankrijk uitliepen op een militaire expeditie, waarvan de bezetting van Marokko het natuurlijk gevolg zou zijn. Den 18den April vertrokken de eerste 4 bataillons naar Casablanca; in de volgende weken werden van uit het moederland, Algerië en Tunis onafgebroken versterkingen gezonden, zoodat er ten slotte in W.-Marokko 32 000— 35 000 man stonden, aangevoerd door generaal Moinier. Tegelijkertijd werden aan de Algerijnsche grens 12 000 man onder generaal Toutée samengetrokken te Herada op den rechteroever van de Moeloeja en aan den weg, welke van Oedsjda over Tasa naar Fez leidt. Intusschen is er van een optreden van generaal Toutée, ondanks het aandringen van de uiterste koloniale partij, die de regeering wegens haar werkeloosheid aan de Moeloeja heftig aanvielen, niets gekomen. Waarschijnlijk waren daarbij diplomatieke invloeden in het spel. Spanje schijnt, steunend op zijn rechten in het Rif, tegen operaties in O.-Marokko, waar het bovendien volkomen rustig was, geprotesteerd te hebben en Duitschland schijnt op de onrechtmatigheid van zulk een daad den nadruk te hebben gelegd.

Frankrijk ging nu op twee wijzen te werk. Door generaal Moinier liet het proclamaties aan de stammen uitvaardigen, waarin het heette, dat Frankrijk geen andere bedoelingen had dan de bedreigde vreemdelingen te beschermen en de orde onder de opperhoogheid van den sultan te herstellen. Daarnaast publiceerde het in de Parijsche en de Londensche pers de meest alarmeerende berichten omtrent den toestand in Marokko in het algemeen en te Fez in het bijzonder. Vast schijnt thans te staan, dat die berichten met voorbehoud moeten worden aanvaard. Inmiddels was het, nog vóór het ontzettingsleger naar Fez was opgerukt, na het eijide van den regentijd aan Brimond gelukt om met zijn mahalla, hoewel onder voortdurende gevechten, Fez weder te bereiken. Hij werd geestdriftig ontvangen. De sultan, die nu over 7000 man troepen beschikte (24 00 man van Mangin, 2600 van Brimond en 2000 man ongeregelde troepen) voerde een grootsch overwinningsfeest en liet terstond een algemeenen aanval op de opstandelingen doen, welke, volgens een telegram aan el-Mokri, den vertegenwoordiger van het Maghzen, die toenmaals te Parijs vertoefde, een volledige overwinning bracht. Andere berichten meldden, dat te Fez alles rustig was; de straten waren vrij en de stammen boden hun onderwerping aan. Het duurde eenigen tijd voordat de Fransche regeering officieel

toegaf, dat Brémond Fez was binnengerukt. Zij voegde er terstond aan toe, dat de oproerige stammen van onderwerping niets wilden weten en dat Fez nog steeds was ingesloten. De Fransche pers bracht nieuwe alarmeerende berichten en den 13deB Mei legde de minister van Buitenlandsche Zaken, Cruppi, den ministerraad berichten van den consul te Fez, Gaillard, voor, waarin o. a. gemeld werd, dat de toestand nog steeds hachelijk was'en dat de sultan schriftelijk opnieuw dringend om ondersteuning door de Fransche troepen had gevraagd. Den ll<ien Mei ging Moinier op marsch; den 21sten Mei bereikte de voorhoede Fez, terwijl de achterhoede onder Gouraud de stad eerst drie dagen later binnentrok.

Voordat Moinier met strafexpedities tegen de oproerige stammen begon, wist hij door te zetten, dat de grootvizier Glaui, die Frankrijk vijandig gezind was, werd vervangen door den vriend van Frankrijk, el-Mokri. De strafexpedities begonnen den 28slen Mei en verliepen zonder bijzondere moeilijkheden. Daarmede verbond Moinier drie ondernemingen, welke de bezetting van Nsala Beni Amar, Mekines en Sfrü ten doel hadden. De beide eerste plaatsen leverden een dubbele verbinding met de kust, en Sfrü, ongeveer 38 km. ten Z. van Fez aan den karavaanweg, die op den Atlaspas Kasbat el-Machsen uitloopt, gelegen, moest den weg Fez—Tasa en daardoor de rechtstreeksche verbinding met Oran beschermen tegen de stammen in het Z. Nsala Beni Amar werd den l8ten Juni door Moinier bezet, nadat 2 dagen te voren Mangin met 2000 man naar Sfrü, dat door de Ait Joessi bedreigd werd, was afgezonden. Te Sfrü werd een garnizoen gelegd. Van hier uit trok Moinier dwars door het land der Beni Utir op tegen Mekines. In den nacht van den 4den Juni vielen dezen hem echter aan en brachten hem gevoelige verliezen toe, zonder nochtans zijn opmarsch te kunnen stuiten. Den 8sten Juni trok Moinier Mekines binnen. Sedert de tweede helft van April was Moelei es-Sin, een halfbroeder van Moelei Hafid, hier als tegensultan opgetreden. Hij bood zijn onderwerping aan en vergezelde Moinier later naar Moelei Hafid, die hem een eervolle behandeling had gewaarborgd. Mekines kreeg een garnizoen van 1500 man. De Beni Utir waren echter niet onderworpen. Einde Juni trok Moinier daarom op tegen hun voornaamste vesting Kasbat el-Hadjeb, 40 km. ten Z. van Mehines, hoog in de bergen gelegen. Ditmaal onderwierp zich het grootste gedeelte van den stam; de rest volgde 3 weken later. Aldus was de omgeving van Fez gepacificeerd.

Moinier was van plan geweest om Fez den 10den Juli te verlaten. De Fransche regeering had hem n.1. omtrent den 20sten Juni bevolen om Fez weder te ontruimen. De reden voor deze plotselinge verandering is nog niet bekend. Misschien had zij binnenslands de handen genoeg vol om niet ook nog haar internationale positie neteliger te maken. Moinier zelf kon echter het expeditieleger niet op den terugmarsch aanvoeren. Hij had bij zijn pogingen om een tweeden weg tusschen Rabat en Fez vrij te maken, te Soekel-Arba moeraskoorts gekregen, waardoor hij zich te Tiflet zoo zwak gevoelde, dat hij zich afscheidde van zijn colonne om zoo snel mogelijk Ra| bat en vandaar Casablanca te bereiken. Generaal Dalbiez nam het commando over en voerde de troepen terug naar Fez. Hier had den 14den Juli voor den sultan een plechtige parade plaats, waarop het expe-

Sluiten