Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er in menig vraagstuk, waarover zijn voorgangers gestruikeld waren, op te lossen. Het overleefde de verkiezing van den 208ten Mei 1907, en ook de ontslagaanvrage van zijn voorzitter, Sturdza iu het begin van Januari 1909 deed het niet wankelen. Hij werd opgevolgd door J. C. C. Bratianu, terwijl alle overige leden aanbleven. Op het einde van het jaar onderging het evenwel enkele wijzigingen. De minister van Landbouw, Corp, trad den 13aenNovember af, terwijl op denzelfden dag generaal Crainiceanu optrad als minister van Oorlog, op voorwaarde van verhooging der officierstractementen in het bijzonder en van een verhoogde oorlogsbegrooting in het algemeen.

De aanslag, welken een spoorwegarbeider den 23sten December op den minister-president pleegde, gaf aanleiding tot het nemen van maatregelen tegen de arbeidersbeweging. Vooral de rechten van de spoorwegarbeiders werden ernstig beknot. Het optreden van de regeering, had echter het voor haar ongewenschte gevolg van de vorming van een Socialistische Arbeiderspartij. Wellicht bestond er verband tusschen dit feit en het indienen van wetsontwerpen omtrent hygiënische voorschriften voor nijverheidsbedrijven en het bouwen van arbeiderswoningen. Nieuwe moeilijkheden baarde de agitatie van de Joden, die aandrongen op het toekennen van volledige staatkundige rechten. Daarbij voegde zich de agitatie tegen een wetsontwerp van den minister van Eeredienst, Harei, dat een inrichting van de geestelijkheid naar Protestantsch voorbeeld beoogde. Het bracht inkrimping van de canonische rechten der bisschoppen, de instelling van een opperConsistorium uit priesters en diakens en gaf den minister invloed op alle kerkelijke aangelegenheden. Ondanks den steun van de autocepliale synode moest de regeering wegens het hevige verzet tegen haar plannen, deze opgeven.

Uit enkele tusschentijdsche verkiezingen was een toenemende invloed van de conservatief-democratische partij van Jonescu in de kiescolleges gebleken, waardoor een hervorming van de kieswet dringender werd. Daarnaast won, onder leiding van de hoogleeraren Cuza en Jorga, een nationalistische strooming veld, welke, zich richtend op de vormen van een Nationaal-democratische partij, het algemeen kiesrecht, de versterking van het klein-grondbezit en de nationaliseering van handel en nijverheid, tot op dat oogenblik door buitenlandsch kapitaal gemonopoliseerd, in haar programma had geschreven. Toch kwamen, toen het liberale ministerie-Bratianu den 10d<!11 Januari 1911 aftrad, niet de conservatief-democraten aan het roer, maar werd de conservatieve P. P. Carp benoemd als minister-president. Bij de verkiezingen van Maart vereenigden zich de liberalen met de partij van Jonescu. Door het uiterst doortastend ingrijpen van de regeering leden echter de bondgenooten de nederlaag. Op het einde van Maart werd de nieuwe, bijna geheel conservatieve Kamer door den koning persoonlijk geopend. Een korte, buitengewone zitting in het voorjaar bracht een wetsontwerp omtrent de regeling van de prijzen, voor zoover deze door speculatie omhoog gedreven waren en een verlaging van de grondbelasting voor de slechtst gesitueerde grondbezitters tot stand.

In de buitenlandsche Staatkunde van Roemenië werd de aandacht getrokken door de ontmoeting

van den koning met den troonopvolger van Turkije op het einde van Augustus 1911 te Boekarest. Deze ontmoeting was voorbereid door het RoemeenschTurksch tractaat vanSeptemberl910, waaraan, ofschoon het slechts een zuiver verdedigend karakter kan hebben, sommigen toch een aanvallende bedoeling tegen Bulgarije toeschrijven.

Rosc, Salvator, staat kol. 1, 12 v. boven: Rome, lees: Florence.

Rucland maakte in het begin van 1911 een ernstige crisis door in zijn binnenlandsche staatkunde. Den linen juni 1910 was n 1 ,joor <je Doema met 165 tegen 139 stemmen van de uiterste rechterzijde en van de Polen een wet aangenomen, regelende de invoering van de zemstwo's in de W. lijke gouvernementen: Witebsk, Wolynië, Kiew, Minsk, Mohilew en Podolië. Toen nu de rijksraad, evenals in 1910, ook in 1911 in bestendig conflict met de 1 Doema, het wetsvoorstel in Maart 1911 verwierp, voerde de regeering de regeling bij keizerlijk decreet in. Dit werd het sein voor een hevige beweging in het land, die zich vooral tegen den minister-president Stolypin, als geestelijk vader van bedoeld decreet, keerde. Stolypin zag zich genoopt den 22sten Maart zijn ontslag in te dienen; Kokoftzow werd aangewezen als zijn opvolger. Maar reeds den volgenden dag werd hij weder herbenoemd, waarop hij den 258ten Maart, ten onrechte gebruik makend van §87 van de grondwet, de Doema en den Rijksraad voor den duur van 3 dagen verdaagde. Inmiddels werd de gewraakte wet ingevoerd. Durnowa en Trepow, de leiders van de reactionnaire hofpartij, kregen „verlof", Guischkow legde het voorzitterschap van de Doema neder, terwijl een gedeelte van de Octobristen zich met de Nationalisten vereenigde. De Doema en de Rijksraad werden den 288ten Maart weder bijeen geroepen. In de Doema werd een interpellatie, door de linkerzijde wegens schending van de grondwet aangevraagd,toegelaten; hetzelfde gebeurde den 10den April in den Rijksraad. Stolypin beantwoordde de sprekers in den Rijksraad den 14den April, die in de Doema den lOaen Mei. Beide lichamen verklaarden de motieven van den minister-president voor de toepassing van §87 onvoldoende en de toepassing zelf ongrondwettig. Het scheen alsof Stolypin's positie wankelde. De czaar echter handhaafde hem op zijn post. Op het einde van Mei werd de zitting van den Rijksraad, den 10den Juni die van de Doema gesloten. Was het dus niet gelukt Stolypin van het staatkundige tooneel te doen verdwijnen, spoedig daarop viel hij door moordenaarshand.

Bij gelegenheid van de onthulling van een gedenkteeken voor Alexander II te Kiew, werd er den 14den September een schouwburgvoorstelling voor den czaar en zijn gasten gegeven. Daaronder bevond zich ook Stolypin. Gedurende de voorstelling werd hij door een schot van den polit-ie-spion Bogrow doodelijk gewond. Beweerd wordt, dat daarbij aan intrigues van de hofpartij moet worden gedacht. Na Stolypin1 s dood (18 September) werd de minister van Financiën, Kokoftzow, benoemd tot minister-president.

De buitenlandsche staatkunde had voornamelijk op het Balkan-schiereiland en op Azië betrekking. Toen het nieuwe koninkrijk Montenegro door den opstand van de Albaneezen in conflict gekomen was met Turkije, zegde Rusland den 23sten Mei dien staat

Sluiten