Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarnemen. Voorstellingen, gewaarwordingen en wilsuitingen van zekere soort kunnen aan liet dier, zoo min in onderlinge verbinding, als op zich zelve beschouwd, worden ontzegd. Intusschen vindt men juist bij de beschouwing van de psycliische overeenkomst tusschen mensch en dier gelegenheid, om op te merken, dat de mensch geroepen is zich boven het natuurleven van het dier te verheffen. Het dier blijkt gebonden te zijn, ook waar het op grond van zijne psychische eigenaardigheden geoefend wordt, aan zijne zinnelijk-egoïstisclie natuur, wier grens niet wordt overschreden. Het psychisch leven van het dier staat onveranderlijk in den dienst van zijn physisch leven, ook terwijl zich daarin eenig sociaal instinct doet gelden, dat iets hoogers zou kunnen doen verwachten. Het is dan ook in het minst niet vreemd, dat in de elkander opvolgende dierengeslachten volstrekte gelijkvormigheid van voortbrengselen is waar te nemen, terwijl in de menschenwereld niet weinig te vinden is dat op gestadigen vooruitgang wijst. De mensch is meer dan het hoogst-ontwikkelde dier, en het menschengeslacht neemt eene eigene plaats in op het gebied der natuur. Van groote beteekenis is het vraagstuk der taal met het oog op de noodzakelijke onderscheiding van mensch en dier (Hoekstra. Zedenleer I bl. 85—96).

2. De mensch als geestelijk wezen. Hoeveel beteekenis aan de fijnere bewerktuiging van het menschelijke organisme ook moge worden toegekend bij de verklaring van het feit, dat de geschiedenis van het menschengeslacht ons eenen vooruitgang te zien geeft waaraan de elkander opvolgende dierengeslachten vreemd blijven, ongetwijfeld moet de anthropologie zich gedrongen gevoelen te erkennen, dat de mensch in aard en aanleg specifiek onderscheiden is van het dier, tot welke hoogte het dierlijk organisme ook opklimme. Van deze overtuiging geeft men rekenschap, als men tegenover het materialisme de stelling bepleit dat in den mensch een geestelijk bestanddeel zich met de stof verbindt. Men is gewoon den mensch daarom als redelijk wezen van het dier te onderscheiden. Aan het dier wordt de rede ontzegd, al ontkent men niet, dat ook het dierlijk zieleleven ons psychische verschijnselen te zien geeft waarbij de gedachte aan verstands- zoowel als aan gevoels-leven onwille-

Sluiten