is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijzondere vermelding verdienen de volgende palmen:

De Klapper of Kokospalm (Cocos nucifera) die reeds op bl. 51 besproken werd. In Azië en Australië komen geen andere soorten van het geslacht Cocos voor, in Zuid- en MiddenAmerika echter nog verscheidene. De naam Kokos is afgeleid uit het Portugeesche Coco, de naam Klapper uit het Inlandsche Kalappa.

De Caryota, algemeen als sierplant op onze erven, werd reeds op bl. 54 besproken.

De Lontar (BoraSsus flabelliformis) is, evenals de Klapper, een zeer hooge boom. De bladeren zijn waaiervormig, met langen, gedoornden bladsteel. Behalve in Ned.-Indië, vooral in het Oostelijk gedeelte, komt de Lontarpalm ook veel voor in VoorIndië en in Afrika. De boom is tweehuizig, de gewoonlijk driezadige vruchten worden zoo groot als een kinderhoofd, de zaden bevatten een geelachtig, eetbaar kiemwit. De stam en de bladeren worden veelvuldig gebruikt als bouwmateriaal en dakbedekking. Reepen uit het blad gesneden waren vroeger in den Indischen archipel veel in gebruik om er op te schrijven.

De Arèn (Arenga saccharifera) is overal in Zuid-Oost-Azië verbreid. Het is een tamelijk hooge (8 tot 12 M.) eenhuizige boom met groote geveerde bladeren en lange, hangende, afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke bloeikolven. De vrucht is een bes. De Arèn komt in Indië in het gebergte meer voor dan in de vlakte. Soms wordt uit het merg van den stam sago bereid,, maar hoofdzakelijk wordt de Arèn aangeplant terwille van het suikerhoudende sap dat uit den steel van de afgesneden bloeikolven wordt afgetapt. Uit dit sap wordt suiker (goela djawa) bereid en soms laat men het gisten om er sagoeweer, arak of azijn van te maken. De zwarte vezelstof (idjoek) tusschen de bladscheeden levert de grondstof voor touw en voor dakbedekking.

De Sagopalmen (.Metroxylon) worden slechts 5 tot 10 M. hoog, de stam is dik, het blad geveerd. Er komen een meer en een minder gestekelde soort van voor. Deze palmen bloeien uit den eindknop, gewoonlijk worden de stammen echter omgekapt, terwille van de sagobereiding, voordat de bloei wijze zich ontwikkelt. De Sagopalmen stoelen sterk uit. De vrucht is met leerachtige schubben bedekt. Zij komen vooral veel voor in de Molukken, langs de kust van Nieuw-Guinea, op Borneo en aan de Oostkust van Sumatra.