is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van den Katechismus der Nederlandsche bisdommen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijke natuur in de goddelijke, gelijk eenige Eutychianen beweerden; ofwel c. door het ontstaan eener nieuwe natuur uit de verbinding van beide, gelijk de meeste Eutychianen leerden. Welnu geen enkele der drie onderstellingen is mogelijk. Want

a. De goddelijke Natuur is oneindig volmaakt, onveranderlijk, en kan derhalve niet overgaan in iets anders, b. De menschelijke natuur kan evenmin overgaan in de goddelijke, want dit strijdt met haar eindigheid en brengt bovendien allerlei tegenstrijdigheden in het goddelijk Wezen. Zou de menschelijke natuur in de goddelijke worden uitgedoofd, dan was er geen menschwording meer. c. Uit de verbinding van beide naturen kan geen nieuwe natuur ontstaan, gelijk b. v. uit de vereeniging van ziel en lichaam de menschelijke natuur geboren wordt. Ziel en lichaam zijn geen volkomen natuur, maar slechts deelen er van; de goddelijke en menschelijke natuur zijn integendeel beide volkomen. Bovendien zou, om van andere ongerijmdheden te zwijgen 1), Christus noch God noch mensch zijn.

In Christus is een goddelijke en een menschelijke wil. Elke natuur immers heeft haar eigen vermogens 2). Christus zelf spreekt van zijn menschelijken wil, als Hij zegt: „Ik zoek mijn wil niet, maar den wil van Hem, die mij gezonden heeft". Jo. V, 30. Hetzelfde getuigt Hij door het gebed tot zijn Vader: „Niet mijn wil, maar de uwe geschiede". Lc. XXII, 42. Op deze schriftuurplaatsen spreekt Christus tegelijk van den goddelijken wil zijns Vaders. Wijl evenwel in de drie Personen der H. Drieëenheid slechts één en dezelfde wil is, zoo volgt hieruit, dat op dezelfde schriftuurplaatsen ook de goddelijke wil van Christus wordt aangeduid.

3. q. 2, a. 1. 2) Sergius (610—638) leerde, dat er in Christus wel twee naturen zijn, maar zoo, dat de goddelijke natuur en de goddelijke wil het onmiddellijk en volledig beginsel van alle werking zijn, en de menschelijke natuur slechts een lijdelijk werktuig is, gelijk de zaag in de hand van den timmerman. Volgens deze ketterij is er in Christus maar één wil, één werking, n. 1. de goddelijke. Deze ketterij, het Monothelitisme, dat een vermomd Monophysitisme was, werd in 680—681 veroordeeld door de zesde alg. kerkv. van Constantinopel. Albers, § 35; Denzinger N. 289.