Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods wet, zooals hij geworden is door den val in 't Paradijs — en dat is het eerste onderwijs van het Christelijk geloof — verbaast hij zich niet over het kwade in het leven, maar over het goede, niet over den vloek, maar veel meer over den zegen, niet over den oorlog, maar over den vrede.

In de tweede plaats heeft men het te kwaad met de gedragingen der Christenen. Zoovelen, die zich Christen noemen, ja belijdend Christen zijn, leven zoo slecht en zondig en onderscheiden zich in hun levenspractijk niet van hen, die zij ongeloovigen heeten. Hoe vaak moeten we hooren: „Geef mij dan die z.g. ongeloovigen maar! Die doen vaak lang zoo slecht en laag niet als de menschen, die 's Zondags trouw twee keer naar de kerk gaan".

't Is droef, dat deze klacht zoo dikwijls moet worden aangeheven. Maar men vergete niet: er is kaf onder het koren, er is onkruid tusschen de tarwe, er zijn geveinsden in de kerk. Bovendien: een bekeerd mensch is nog geen heilig mensch (tenzij men hem in Christus rekent). En wie weet, hoezeer de geloovige zelf zijn zonden, die hem nog steeds aankleven, voor Gods aangezicht betreurt en beschreit 1 Terwijl we, ten slotte, nooit de roeping hebben bij een ander te beginnen een voorbeeld van Christelijk leven te zoeken, maar bij ons zelf.

Ten derde is er het milieu, waarin wij verkeeren, dat ons tot twijfel dringen kan.

Hierbij moeten we denken aan den omgang met ongeloovige menschen. Wie zijn gezelschap zoekt in kringen, waar men met God niet rekent, moet wel door de ongeloofstheorieën in verwarring worden gebracht. Als men zelf geen kennis heeft van de beginselen en de kracht van Gods Woord, wanneer men zelf geen fonds heeft, waarover men beschikken

Sluiten