Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dVOpperheer, voor wien al 't schepsel bukt, Zietjvan [zijnj troon oplettend naar beneden: Hij, die nooit duldt, dat d' onschuld wordt [verdrukt, Proeft elks gedrag, zelfs met zijn oogenleden.

Eechtvaardig is de Heer in al zijn handel: Hij, die in 't recht zijn welbehagen vindt, Slaat gunstig 't oog op aller vromen wandel,

I. „Maar deze schapen', wat hebben die gedaan ?" Als we op die woorden in hun samenhang letten, dan treffen ons allereerst de gezindheden die David hier aan den dag legde: zijne diepe verootmoediging over zijne zonde, zijne hartelijke liefde voor zijn volk, en zijn onbezweken geloof aan Gods rechtvaardigheid. En wel mag hij in dat alles, ook nu nog, ten voorbeeld ons zijn.

Ja! de koning David^kan wel ook aan ons als een voorbeeld ter navolging worden voorgesteld, en dat niettegenstaande zijne afwijkingen en zonden. O! ik weet wel, hij is om die zonden wel eens streng beoordeeld, ja gesmaad en verguisd. Maar wie dat soms deden, hadden dan ook zeker verzuimd, eerst nog eens op zichzelven te letten; ze bedachten dan ook niet, dat hij ons wordt voorgesteld als een mensch van gelijke bewegingen als wij, aan dezelfde neigingen onderworpen, en als Oostersch Jtoning nog oneindig veel meer aan verzoekingen blootgesteld; en vooral, wie hem uit de hoogte veroordeelt, die heeft bhjkbaar geen oog voor zijn diep en innig berouw. Hij heeft zeker dikwijls en zwaar tegerf God gezondigd, maar bij elke zonde nooit meer dan eens, en dan was zijn hart terstond ook weêr open voor het woord der bestraffing, en tot schuldbelijdenis en bekeering geneigd. Ziet dat o. a. ook weêr hier in die diepe verootmoediging over zijne zonde. Hij is zonder twijfel ook door anderen in zijne eerzucht opgezet, en wel door het gansche volk met hunne vleierij in zijn hoogmoed gestijfd. Maar ^toch,^hij denkt er niet aan, om de schuld, ook maar voor een klein gedeelte, van zich af te schuiven: ik (zoo spreekt hij) ik zelf, ik alleen heb gezondigd, maar deze schapen,£wat hebben die gedaan? O! dat juist, dat was zoo gelukkig, zoo onmisbaar enjf'goed: daardoor juist was de koning David een man naar Gods harte. Waar gezondigd is, wil de Heer, dat dat ook erkend en betreurd en beleden zal worden. Dat is welbehagelijk in zijn heilig oog; dat is tot vergeving onmisbaar; én dat is de weg waarlangs dan in waarheid de bekeering wordt

Sluiten