Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vriendenkring en niet een kerk had willen zijn. Nu zag men het in, dat voor het uitwendig leven, geen band van sympathie volstaan kan, maar een band der belijdenis van noode is, en verlegen vroeg de een den ander: »wat belijdenis het zou zijn?" De band met het verleden was verbroken, er was geen macht die hem weer aan kon binden: niet te veel mocht men eischen, om niet te velen af te stooten, en daarom op een tasten ging het aan. Zoo moest wilkeur gelden voor recht, in het ruwe werd een grens getrokken en op den gis af naar den dunk der meesten een maatstaf geëikt, die van nu voortaan voor het recht op den eernaam van rechtzinnig zou beshssen. Houdt »wat gij hebt" was ook nu wel de leuze, die men ophief, maar »wat men in Christus had" bleef voor het hart onzeker en voor het denken onbeslist. Voor de drijfkracht der beginselen beangst, deinsde men voor het doordenken der waarheid terug, en een beginselloos »ongeveer" werd als stuk van hooge wijsheid boven de volstrektheid onzer vaderen verkozen. — Van toen af belemmerde angstvalligheid bij elke schrede: onderling wantrouwen belette elk krachtsbetoon. Tot werkeloosheid was men gedoemd: in de oppervlakte bleef men zweven, vreezend bij het dompelen in de diepte te vergaan. En zoo, inwendig gedeeld, nu her-, en dan weer derwaarts slingerend, kon men geen stand houden, veelmin een karakter toonen, dat den vijand eerbied afdwong.... Neen, M. H., ook langs dien weg feilde men ter overwinning. Ook daarin huisde geen kracht. De eens vastgevroren stroom brak los,.... een oogenblik hoorden we het kabbelen van zijn golven, en dien nu reeds weer te stremmen, om straks den golfslag voor immer te boeien! Neen Gel.! niet de bevloerde wateren, maar de bruisende stroomen, dragen leven, brengen heil!

En zoo staan we dan van zelf voor den derden vorm dier krankheid, die zich geleidelijk uit de laatste ontwikkelt: hen bedoel ik, die slechts dat behouden willen, wat de vijand ons

Sluiten