Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling van dat eerste dienen. De titel gewaagt van voorbereiding tot den 17den November, den dag der onthulling van het nationale Monument. Over dat Monument spreekt mijn rede echter niet. Ik eer van harte zijn schoonheid, zijn heerlijke aanleiding, en hoop te deelen in het ootmoedig-dankbaar nationaal gevoel dat ons eerlang er om heen zal scharen als zijn omhulling valt. Als leeraar had ik er echter op 31 October niet van te spreken.

Mij dunkt — indien het hier de plaats is, er een enkel woord van te zeggen — een dergelijk monument kan geen voedsel zijn voor nationalen trots of menschvergoding. Is er zulk een gedachte in een deel onzes volks, is er onder mijn lezers deze of gene dis ia onze diep gezonken toestanden nog VQOf zulk een stemming ruimte in zich voelt ., hem herinner ik het andwoord, nu bijna honderd jaar geleden door een kanton van het in geschiedenis en volksaard zoozeer aan ons verwante Zwitserland aan den franschen abt Raynal gegeven. Deze had namelijk aangeboden, een monument voor de drie mannen op te richten, welke Zwitserlands v rijheid hebben gegrondvest. Het andwoord was een vriendelijke weigering, o. a. ook in deze woorden: f Wanneer, hetgeen wij niet hopen, onze zones of kleinzonen de gevoelens dier groote mannen eens uit het hart verloren, zou zulk een gedenkteeken ons Vaderland even weinig van nut zijn als in de laatste tijden der republiek het diepgezonken Rome door zijn talrijke monumenten gebaat werd. •

Welnu, hoe is het onder ons geslacht ? Stellen wij ons rondom het Monument, en zien wij op naar zijn top. Wat staat daar? Een afgetrokken ideaal; oen schoone figuur voorzeker, maar aan welke, om Nederlandsche Maagd te zijn, de twee Wfligniën ontbreken wier innige vereeniging de heerlijkste bladzijden onzer volkshistorie (zie bladz. 15) gekenmerkt heeft: de B ij bel

Sluiten