Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen; dat dan nimmer eene daad van zoo groot onregt ons tot schande en hun ten erfdeel moge worden; laten wij blanken en vrijen van Nederland en de koloniën ons liever de opoffering van eene bülijke schadevergoeding getroosten, doch eerst en zonder verder uitstel: afschaffing der slavernij!

In de Tweede Kamer heeft op Vrijdag, den 7<*en Maart 1856, de heer mueé, Minister van Koloniën, op eene interpellatie van den heer Van lijnden betrekkelijk de slavernij-kwestie, onder anderen geantwoord: dat hij aan de belangstelling der Kamer in deze gewigtige zaak niet getwijfeld heeft. Zijne overtuiging is, dat de afschaffing der slavernij in de Wesfe-Indische Koloniën eene behoefte is door de godsdienst en menschelijkheid geboden. Hij heeft zijne betrekking aanvaard onder den indruk der verpligting, die op Nederland rust; om aan die behoefte te voldoen, zullen voorzigtigheid en gematigdheid de grondslagen zijn van de te nemen maatregelen, en hij zal alles aanwenden om die groote schuld, die op Nederland rust, te kwijten. Misschien zal alles niet zoo spoedig gaan als wenschelijk is, maar inmiddels zal in het lot der slaven die verbetering- worden gebragt, welke noodzakelijk is. Hij heeft de overwegingen van zijnen voorganger voortgezet en met den Gouverneur van Suriname eene correspondentie nopens dit punt geopend. Zijn antwoord wordt zeer spoedig verwacht en alsdan :zal men kunnen overgaan tot verbetering van het lot der slaven, in afwachting der verdere maatregelen tot emancipatie. Dit zijn de verklaringen van den Minister, intusschen hangen alle lotsverbeteringen der slaven alléén en uitsluitend van de afschaffing der slavernij af.

4

Sluiten