Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesproken werd; anders toch zou de Evangelist niet zoo onbepaald dien uitroep der vreemdelingen hebben aangehaald.

Ter opheldering hiervan kan dienen, wat de Apostel paulüs in zijnen eersten zendbrief, hoofddeel XIV, aan de Gemeente te Corinthe schrijft over het misbruik, dat door sommigen van haar gemaakt werd van het spreken met nieuwe tongen. Daar waren in die Gemeente, welke alzoo spraken, om vertooning te maken, om, door vreemdsoortige geluiden en uitroepingen , de opmerkzaamheid tot zich te trekken. Zoo openbaarden ze wel vurigen, geestdrijvenden ijver, doch een ijver, die valsch was, dewijl hij uit een onzuivere bron opwelde. Daartegen moest paulus te velde trekken; dat toch was een ergerlijk misbruik. Ja, hij wil zelfs niet, al geschiedde het spreken met tongen ook met eene goede bedoeling, dat het veelvuldig zou plaats hebben, omdat het te Corinthe meer den spreker zelf, dan den hoorder betrof. En zoo vaak het plaats had, wilde hij, dat er iemand uit de Gemeente optrad, die aan allen vertolkte, wat de spreker bedoelde, 't Was immers niet maar eene uitboezeming van hooge geestverrukking en diepwerkend gevoel, maar 't ging ook somwijlen gepaard met eene onzamenhangende uiting in vreemde talen en werd alzoo ligtelijk een dwaas en zot geklap.

Wiet alzoo was het op den grooten Pinksterdag. Toen verstond men, zonder tolk, wat door de Apostelen gesproken werd; want zij boezemden zich niet uit in nieuwe tongen, in vreemdsoortige geluiden; maar' spraken als met nieuwe tongen in de vreemde talen der aanwezige vreemdelingen, zoodat deze verstonden , wat tot hen gesproken werd.

Sluiten