Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drijvende als het ware de zonden voor zich henen van het Heilige der heiligen naar het heilige. Daarna werd het reukaltaar in het heilige besprengd, en scheen hij de zonden naar het brandaltaar uit te drijven, en het brandaltaar besprengd zijnde, scheen hij de zonde naar den weggaanden bok te drijven en ze op dien bok te leggen , terwijl voorts de bok, uitgelaten in de woestijn, ze scheen weg te dragen, en zelve aan de wilde dieren ten prooi werd gegeven. Bovendien, terwijl in den loop des jaars niemand van zijn eigen zond- of schuldoffer mocht eten, zoo mocht ook niemand van het offer van den grooten verzoendag eten, en wilde God zelf niets er van op het altaar hebben, maar moest de geslachte bok geheel en al, en wel buiten het leger met vuur worden verbrand.

Als men dit een en ander nu goed overweegt, hoe kan men dan toch beweren, dat die offers ■plaatsvervangend waren, en een zinnebeeld van het zoogenaamd plaatsvervangend offer van Christus?

Moesten de zonden niet eerst geboet en de schuld betaald worden vóór men zijne offers mocht brengen ? verg. ook Mt. 5: 23, 24. Moesten de offerdieren niet volkomen, dat is, zonder gebrék zijn? en was dit niet een beeld van zedelijke volkomenheid? Hoe kan men dan toch beweren, dat de zondaar zijne zonde op dat offer legde? Indien toch de zonde op het dier werd overgedragen, en het dier alzoo tot zondk werd gemaakt, waar was dan het zinnebeeld van zedelijke volkomenheid? En indien de zonden op den Christus overgedragen werden, hoe kan hij dan gezegd worden een offer zonder gebrék te zijn geweest? — Of, dewijl slechts offers voor mindere zonden toegelaten werden, is de Christus dan misschien slechts voor de mindere zonden gestorven? — Of, naardien de bok, volgens die voorstelling, met de zonden beladen, in de woestijn

Sluiten