Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle deskundigen erkend, en is duidelijk uit het verband der woorden zelve. Wij zullen daarover derhalve niet verder uitweiden.

2°. Als de Heer hier van een Nieuw Verbond spreekt, dan wordt daardoor op een ander verbond gewezen, dat nu als oud en verouderd voorgesteld wordt. Dat Oude Verbond werd eerst aan Abraham voorgesteld in de woorden, Gen. 12: 1—3. „Ga uit uw land, en uit uwe maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uwen naam groot maken, en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden." Dat verbond werd vervolgens nader bepaald door de voorwaarde: „Wandel voor mijn aangezicht, en wees oprecht", en onder die voorwaarde werd het ook voortgezet onder zijne nakomelingen, die, evenals hij, het teeken des verbonds in het vleesch ontvingen, Gen. 17. Toen zijne nakomelingen tot een volk aangegroeid waren, werd het verbond ook aan hen, als volk, voorgesteld, en van hunne zijde aangenomen en met bloed ingewijd. In Ex. 19:4 lezen wij dienaangaande het volgende: „Gijheden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op de vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij naarstiglijk mijner stem gehoorzamen zult, en mijn verbond houden, zoo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gansche aarde is mijne; en gij zult Mij een priesterlijk koningrijk, en een heilig volk zijn."

Op deze wijze aan hunne wonderbare verlossing herinnerd, en door heerlijke beloften aangemoedigd, werd de voorwaarde van gehoorzaamheid, ook door het volk, als volk, gretig aangenomen, zoodat zij antwoordden: „Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen."

Vervolgens werd de grondwet deB rijks afgekondigd.

Sluiten