Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neemt; de overijlde aftocht na den slag in het dal Siddim en ook dat Abraham niets van den buit hebben wil. Dit laatste zou zuiver Abrahamsverheerlijking zijn. Naar het rijk der mythen verwijst hij de steden Sodom en Gomorrha en hun koningen, wier namen samengesteld zijn met woorden, die boosheid en misdaad heteekenen en daarin duidelijk blijken fictie te zijn. Eveneens de Refaïm en de Emim.

Deze argumenten worden echter meer gedragen door verwerping van dit hoofdstuk dan dat ze er toe leiden. Dat Abraham deze koningen uit het Oosten versloeg, behoeft niet tot de onwaarschijnlijkheden gerekend te worden. De legers, waarmede een rooftocht als in Gen. 14 beschreven wordt, geschiedt, kunnen niet groot zijn geweest. Vooral niet omdat ze in snellen opmarsch optrokken. Het is zeer wel mogelijk dat deze legers onder commando stonden van officieren en niet van de koningen zelf. Mogen we ook daarom ons deze legers klein voorstellen, aan de andere zijde moeten we in het oog houden dat Abraham bijgestaan werd door drie bondgenooten, die ook elk hun „jongelingen" (vs 24) in het veld brachten. Door deze proportioneering der getalsterkten komt er toch eenige evenredigheid tusschen den omvang der strijdmachten aan weerszijden. Er zijn nog andere factoren, die deze geschiedenis minder ongeloofelijk maken dan Nöldeke meent. Abraham deed een nachtelijken overval en wel op een vijand, die zelfvoldaan, geen overval mogelijk achtte en in overwinnaarsstemming huiswaarts trok. Overrompelaars kunnen met geringere macht beter aanvallen, dan talrijke overrompelden zich verdedigen.

Deze geschiedenis is trouwens het eenige voorbeeld niet van een groot succes met geringe getalsterkte behaald. *) En ten slotte, de Allerhoogste heeft Abraham Zijn almachtigen bijstand verleend. Dat is de opmerking van Melchizedek, die voor den tijdgenoot en voor den bijbellezer van elke eeuw waarde houdt.

Tegen de dateering uit vs 1 is inderdaad in te brengen, dat de koningen worden gedateerd naar

2) Voorbeelden bij Heinisch a.w. pag. 220.

Sluiten