Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijkheid van dezen berg, vindt hierin zijn oorzaak, dat de noordeUjke deelen van Israël over het algemeen veel minder belangstelling vonden bij de bijbelschrijvers dan de zuidelijke! Het belang van dezen berg blijkt echter al in de geschiedenis van Barak en Debora. Bij het „Taborheiligdom" monstert Barak zijn troepen. (Richt. 4.) Aan dit heiligdom zou zelfs een orakel verbonden zijn, want de kinderen van Issaschar, in wier stamgebied de Tabor lag, „waren ervaren in het verstand van dé tijden, om te weten wat Israël doen moest". (1 Kron. Ï2:33.)

Ook de zegen, dien Mozes uitspreekt over de stammen Zebulon en Issaschar (Deut. 33:18), zon getuigen van Tabors beteekenis! Deze stammen toch zullen, zoo zegt Mozes, volkeren roepen tot den berg en offeranden der gerechtigheid offeren. Er staat dan sedeq-offers, een zinrijke woordspeling op den dienst aan Cidq van het Taborheiligdom. Van wege dit heidensch karakter heeft ook Hosea bezwaren tegen den invloed' van Tabor op het volk Israël. (5:1). Ook Melchizedeks naam getuigt van dezen cultus. A1 s dit alles waar was, zou cedèq-offers inderdaad een puntige woordspeling zijn op Cidqu-offers.

Het grootste bezwaar zien wij weder in den zwakken grond, waarop inderdaad met vindingrijke fantasie de hypothese is opgebouwd. Deze grond is dat de geschriften der pelgrims sinds de tiende eeuw den Tabor vermelden als plaats van Melchizedek. Dat is toch een voor deze zaak te jong getuigenis. De pelgrims uit dien tijd kunnen ook wel misleid zijn door de legendarische verhalen, waarop we reeds wezen. Daarin toch ook komt Tabor voor.7) Dan heeft deze traditie geen meerdere waarde dan die weUie Melchizedek met Golgotha in verband brengt.

§ 20. Melchizedek is dus koning van het latere Jeruzalem. We weten daarmede echter nog niet veel meer dan een naam. Van het Jeruzalem uit Melchizedeks dagen is ons niets naders bekend.

Wel is de meening geuit, dat door de opgravingen te Ras Sjamra iets uit dat oude Jeru-

7) In de Narratio apocrypha van Athanasius. Zie Wuttke a.w., pag. 39.

Sluiten