Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biji de boven (§ 25) gegeven weerlegging van de opvatting van Kittel en Gunkel over de spanning tusschen koningschap en priesterschap, is ons gebleken dat de koning, immers allerlei menschen en dus ook de koning, iets priesterlijks hebben. Door de werking van Gods genade en geest hebben en beoefenen de geloovigen dat priesterschap. Personen vóór Melchizedek betoonen dat (Abel, Henoch, Noach). Het nieuwe bij Melchizedek is, dat bij deswege priester wordt genoemd en dus dezen dienst aan God bewust als ambtelijken dienst bewees. Daarin is hij de eerste.

Dat priesterlijke, dat in allerlei menschen is op te merken, zouden wij kunnen noemen het Melchizedeksche in hen, dat ze hebben en beoefenen als vrucht van Gods genade en dat in Melchizedek tot hooge voortreffelijkheid kwam. Om die voortreffelijkheid kan hij tot type gemaakt worden van den Messias en van het priesterschap dat Deze voor al de Zijnen bekleedt en dat deze bi hun geloofsgemeenschap met Christus deelachtig zijn.

Wanneer Abraham de waardigheid van Melchizedek erkent door hem de tienden te geven en zich door hem te laten „zegenen", dan erkent hij daarmede het genadewerk Gods, van welk genadewerk we gezien hebben, dat het in Melchizedek een ongekende hoogte bereikte. Abraham echter staat, volgens den auteur van den brief aan de Hebreen, tegenover Melchizedek als de vader van Levi, als vertegenwoordiger van den buitengewonen Aaronietischen priesterdienst. Dit neemt niet weg, dat ook Abraham zich wijdt aan zijn God. Hij doet dat als met God verzoende. Intusschen is hij hier de vertegenwoordiger van het buitengewone priesterschap, dat met het oog op die verzoening, n.1. tot de voorafbeelding daarvan door God, is ingesteld. Daarom is hiji hier de mindere tegenover Melchizedek.

In Melchizedek eert Abraham het resultaat van het werk Gods, waartoe hij als vader van Levi, zelf middel is.

Men brenge hiertegen niet in, dat wij met zulk een theologische redeneering ideeën van latere christelijke dogmatiek indragen in de hoofden en harten van oud-oostersche vrome menschen. Want

Sluiten