Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men van Stefanus en Fi lippus hebben in de christelijke Kerk een bijzonderen klank gekregen, de eerste door het martelaarschap, de tweede door de zendingswerkzaamheid. Maar in wezen waren alle diakenen aan elkander gelijk. En hetzelfde geldt van de oudsten en opzieners. Calvijn zegt terecht, dat, hoe de verhouding van deze twee ambten ook moge geweest zijn, nergens in het Nieuwe Testament sprake is van een meerderheid van het opzienersambt boven het ouderlingen-ambt. Trouwens ook niet in den apostel-kring. Paulus wederstaat Petrus in het aangezicht, wanneer deze zich afscheidt van de christenen uit de heidenen.

Onze vaderen formuleerden dit beginsel aldus: geen dienaar zal over den andere heerschen. De diaken staat niet onder den ouderling. De diakenen van de groote gemeenten uiten er hun misnoegen wel eens over, dat zij bij bepaalde werkzaamheden van den kerkeraad worden buitengesloten. Dit misverstand wordt in de hand gewerkt door het feit, dat de algemeene. en de bijzondere kerkeraad op één avond worden gehouden. Zijn de diaconale zaken behandeld, dan moeten de diakenen verdwijnen! Toch is het een misverstand. Het diaken-ambt is een ander ambt, geen ambt van lagere orde. Ook de opzieners der gemeente zijn allen aan elkander gelijk. In allerlei kleine trekjes van het oud-gereformeerde kerkrecht komt dit uit. Zoo lezen wij de bepaling, dat de praeses van den kerkeraad zijn functie slechts een half jaar zal uitoefenen. Een vaste voorzitter zou tot een soort bisschop kunnen uitgroeien. Daarom is het besluit van den Amsterdamschen kerkeraad, die indertijd uit practische overwegingen hiertoe besloot, af te keuren. Geen der predikanten mag altijd voorzitter zijn. Daarom kiest ook volgens oud-gereformeerd kerkrecht de classicale vergadering, de provinciale en nationale S/node telkens opnieuw een voorzitter. Achter al dergelijke — schijnbaar uitermate onbelangrijke bepalingen — schuilt het derde begin-

Sluiten