Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richten, wij allereerst het vertrouwen van het volk moeten winnen, van de Makassaren en van allen, die met ons werk in aanraking komen.

Hen overtuigen van het goede, dat wij bezitten en ook, dat wij zoo noodig zonder de minste tegenprestaties hunnerzijds, hen van dienst willen zijn met onzen Med. Hulp.

Daartoe diene, dat wij niet alleen met goede woorden, maar ook met een goede levenswandel, met den Christelijken daad van barmhartigheid voor den dag komen.

Laat mij thans probeeren U een schets te geven van het Med. werk.

Ofschoon het werk zichtbaar groeit, houdt het vertrouwen van het kampongvolk hiermee geen gelijken tred. Vreemd nog staan zij tegenover de Westersche geneeskunst, die eerst de noodige lichamelijke- of laboratorium-onderzoekingen verrichten moet, alvorens de diagnose te kunnen vaststellen, om daarna de therapie te kunnen instellen.

Hoe vaak vroeg iemand mij op de polikliniek om obat voor een zieke ergens in de kampong, een zieke die ik dan heelemaal niet kende, noch te zien kreeg. Mijn antwoord is dan ook altijd: Ik ben geen doekoen, die zoo maar obat uitdeelt; ik moet de patiënt eerst zelf zien en onderzoeken.

De vraag dan de patiënt op de polikliniek te komen, en zoo dit waarlijk niet kan, ga ik de kampong in om zoo'n patiënt te onderzoeken.

We doen goed onze patiënten in twee groepen te verdeelen: li Kotta-Makassaren, die meer ontwikkeld zijn, zooals kantooroppassers,

klerken, chauffeurs etc., die vermoedelijk ook reeds eerder bij een

dokter om behandeling zijn geweest. II. Echte kampong-Makassaren, die nagenoeg allen nooit bij een dokter

zijn geweest.

Bij de eerste groep, de kotta-Makassaren, heb ik eens een frappant staaltje van wantrouwen of vrees ontmoet. Een aardige knaap, ± 18 jaar, als kebon werkzaam bij een familie in de stad, was verscheidene malen in onze polikliniek aan de Marosweg geweest, voor een eenvoudige wondbehandeling. Een ander maal kwam hij met buikklachten.

Daar ik hem nauwkeurig wenschte te onderzoeken, verzocht ik hem achter een gordijn in de polikliniek te gaan, en op de onderzoektafel te gaan liggen. Met veel gepraat en zachte dwang kregen wij het zoover gedaan, dat hij achter het zeiltje verdween. Doch op een onbewaakt moment sprong hij op, over het naastbij staande raamkozijn heen, en was meteen zoo verdwenen, tot groot vermaak der vele omstanders.

Nooit heb ik dien jongen weer terug gezien.

Bij de tweede groep, de kampong- of dessa-Makassaren, zooals visschers, landbouwers, woekert nog sterk het bijgeloof en bovendien het reeds genoemde wantrouwen of vrees. Hun bijgeloof, dat bij ernstige

Sluiten