Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schrift, waarin hij de troostrijke waarheid leert der eeuwige onveranderlijke trouw van God jegens zijn volk over hetwelk Hij zich van eeuwigheid om Christus wil, genadiglijk ontfermd heeft Hij leest in het Woord Gods dat de Heere de Zijnen in Zijn handpalmen gegraveerd heeft, dat Gods genadewerk in menschen, nooit zal vernietigd worden.

Heilige vreugde vervoert zijn ziel als hij in den brief van den apostel Paulus aan de Romeinen leest: de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk (Rom. 11 : 29).

Vol ontroering beluistert hij het triomflied van den Apostel.

Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

God is het die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt?

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?

Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch*machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heer. (Rom. 8 : 33 v.).

De biecht.

Over de weldaden der biecht geraakt de Roomsche Kerk niet uitgesproken.

Christus, zoo leert zij, heeft in de biecht een barmhartige rechter aangesteld. Deze rechter is de priester. Aan hem heeft Jezus-Christus de macht geschonken om de zonden die hem beleden worden te vergeven of ze te houden.

De schuldige zelf moet aan deze rechter zijne misdaden belijden. Dit is noodzakelijk omdat de priester, om zijn ambt als rechter uit te oefenen, de zonden waarover hij moet oordeelen, moet kennen.

Alle doodzonden moeten hem beleden worden met hun getal en de omstandigheden welke de zondensoort kunnen veranderen.

Sluiten