Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De democratie is de voorlopig laatste fase in de lange reeks, waarlangs de mens zich ontwikkelde van egocentrisch en alleen voor het eigen leven vechtend natuurwezen tot een, dat zich vrijwillig onderschikt aan de eisen van een geordende samenleving. In deze samenleving komt zijn individuele vrijheid volkomen tot haar recht door zijn bevoegdheid mee te bepalen hoe die samenleving zal zijn ingericht, hoe en door wie zij zal worden bestuurd. Deze vrijheid is slechts beperkt door het morele begrip van het cultuurwezen, beseffend, dat een vrijheid, die anderen hindert of onderdrukt, immoreel is en niet anders dan onvrijheid schept. Door talloze eeuwen heen streed en leed de mensheid om zich te bereiden tot deze edele vrijheid. In bloedige revoluties werd zij veroverd op tirannieke systemen en de democratie werd de principiële bevestiging ervan. Eenvoudig, kort en begrijpelijk gezegd, stelde zij de samenleving op de basis van „De Rechten van de Mens en de Burger", de prachtige leuze van de Franse Revolutie, die het nieuwe tijdperk inluidde. De negentiende eeuw zag de overvrinning dezer gedachte, de democratie zette zich door en begon de opbouw van een waarlijk nieuwe wereld, waarin ieder gelijk was voor de wet en dezelfde rechten en kansen zou hebben.

De democratie is niet geworden, wat de fanatieke verkondigers en voorvechters er in glanzend idealisme van verwacht hadden. De overgrote massa der mensen is niet waarlijk bevrijd, maar bleef geketend in de greep der economisch sterkeren. De tegenstelling tussen kapitaal en arbeid ontwikkelde zich als die tussen almachtig meester en loonslaaf. Wie onbevooroordeeld toeziet, moet dit constateren. Maar democratie betekent toch: vrijheid, en ondanks alles is gebleken, dat dit woord onder haar bewind niet meer volkomen een leeg begrip was. De loonslaven hebben zich onder de democratie, gebruik makend van hun grondwettelijke rechten, kunnen organiseren en rebellie plegen tegen de meesters, die met de economische hand wilden terugnemen, wat zij met de politiek voor ieder hadden veroverd. De machtelozen rijn sterk geworden door solidariteit en hebben de machtigen gedwongen stuk voor stuk hun eisen in te willigen. De weinige wijzen onder deze machtigen hebben dit zonder wrok aangezien, beseffend dat de Rechten van de Mens, eenmaal als grondslag van de maatschappelijke opbouw geproklameerd,

Sluiten