Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherpen blik, met fijne onderscheidingsgave, maar ook met billijk en snijdend verwijt haastte hg zich er aan toe te voegen: „Maar wie waagt het nog daaraan het denkbeeld van spotternij te verbinden? Indien veldheer en leger gescheiden zijn, 't is' omdat alleen de veldheer stand hield."

Het was met andere woorden hetzelfde, wat de heer Groen reeds in 1864 zijnen vrienden en geestverwanten had toegeroepen: „Vergeet niet, dat bij al datgene, waarover gij klaagt, het ééne, waarover gij n i e t klaagt, uw eigen plichtsverzuim, het meest beklagenswaard is. Vergeet niet, wat bovenal ons zwak maakt. Niet zamenspanning van liberalen en roomschen, niet slapheid der conservatieven, maar s 1 a p h e i d v an evangeliebelg'ders. Ken u zeiven! weet, dat gjj tot handhaving uwer vrijheden, indien gij van uwe rechten gebruik maakt, sterk genoeg zijt."

De veldheer is ten grave gedaald, zonder van het hem omringende leger op zijne duizende roepstemmen veel meer dan een weiwillenden hoofdknik ontvangen, te nauwernood eenen zwakken weerklank vernomen te hebben. Eerst met den veldheer, dien de Heere hém tot opvolger verwekt had, is het leger, ook onder den invloed van omstandigheden, die het dreigend gevaar in helderder licht gesteld hadden, uit zijnen slaap wakker geschud en uit zijne tenten te voorschijn gekomen. Hoé zoude de heer Groen van Prinsterer de oprichting van het Christen-werklieden Verbond Patrimonium als een gelukkig levensteeken hebben begroet; hoe zich over het moedig en krachtig optreden der evangeliebelijders, die zich als leden daarvan aanmeldden, verblijd; met hoeveel welgevallen den toenemenden wasdom der antirevolutionaire partg in en buiten de Kamer hebben aangezien; met hoe innigen dank vooral zouden hem de allerwege ontbrandende ijver voor het Christelgk onderwijs en de daaruit geboren stichting van „scholen met den Bijbel" hebben vervuld!

Bij de opening van de vierde jaarvergadering van het Nederlandsch Werkliedenverbond: Patrimonium sprak aijn voorzitter, de heer Kater, deze merkwaardige woorden:

„Al wat om ons henen plaats grijpt, schijnt dienstbaar om den stand der werkliedenbeweging in Nederland hoe langer hoe meer uitsluitend het karakter te doen aannemen van een strijd tusschen geloof en ongeloof, terwijl de zich noemende middelpartij gaandeweg slinkt, bij den dag minder en fninder wordt, en hare ontbinding met rassche schreden nadert. Dat laatste mag bij al het droeve, dat haar deed ontstaan, nog een verblijdend teeken worden geacht;

Sluiten