Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb hoop, dat de vader der Liberale Unie er zelf zoo over zal gaan oordeelen.

Een aantal voorbeelden bijbrengende van den noodlottigen invloed der Kerk op de wetenschap, schreef de heer Levy:

„Het was de Protestantsche kerk, die den braven Johann Gottlieb Fichte ontzette nit zijn leerambt, omdat hij in zijne geschriften van eene zedelijke wereldorde in plaats van eene goddelijke voorzienigheid had gewaagd."

Ik onthield mij tot hiertoe zorgvuldig van iets te schrijven, wat kwetsend zijn kon voor het uitverkoren volk van God, dat mij reeds daarom lief zoude wezen, omdat mijn Heer en mijn Zaligmaker, na de gestalte eens dienstknechts te hebben aangenomen, te midden van dat volk geleefd en daar, onder velerlei teekenen en wonderen, zijne heerlijkheid geopenbaard en zijn verlossingswerk volbracht heeft.

Thans evenwel moet ik, om den heer Levy en zijne volksgenooten gerust te stellen omtrent het clericalisme en de Protestantsche kerk in Nederland, hem herinneren aan hetgene de door hem geroemde wijsgeer oordeelde over de Joden.

Fichte schreef in eenen tijd, toen nog slechts 5 a 6000 Joden te Berlijn woonden, deze nog niet geëmancipeerd waren en onder toezicht stonden:

nBijna over alle landen van Europa verbreidt zich een machtige, vijandelijke staat, die met alle anderen in bestendigen krijg is en vreeselijk zwaar op den burger drukt: het is het Jodendom.

iiVan zulk volk mocht anders verwacht worden dan wat geschiedt en dat wij dagelijks zien: dat in eenen Staat, waar de meest onbeperkte koning mij mijne hut niet ontnemen durft, en ik tegen den alles vermogenden Minister mijn recht behoud, iedere Jood echter, wien het invalt, mij geheel ongestraft uitplundert.

«Aan de Joden burgerrecht te verleenen, daartoe zie ik geen ander middel dan dit: hun in éénen nacht de hoofden af te snijden en er andere op te zetten, waarin zelfs niet ééne Joodsche gedachte is; en om ons voor hen te beschutten, daartoe zie ik geen ander middel, dan hun geloofd land te veroveren en ze allen er heen te zenden."

Zulke taal werd, geloof ik, nooit nog in het voor Israël altijd gastvrije en goede Nederland vernomen, en wel omdat die trouwe en barmhartige God van Israël ook als zoodanig steeds in Nederland is gekend en geëerd geweest.

Daar integendeel zong een man, dien de humanisten van onze dagen zeker nog eens zouden willen verbannen, maar met wien de tegenwoordige clericalen vol bewondering instemmen, de groote Bilderdijk:

Sluiten