Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zal het genoeg zijn, dat wij onze woningen met groen en vlaggen versierd, in zang en toonkunst onze blijdschap uitgedrukt, en onder de feestvierende menigte ons geschaard hebheni? O, ik erken, dat alles kan, en het zal ook bij niet weinigen, al werd het ook niet lnid uitgesproken, de uitdrukking eener Godverheerlijkende blijdschap geweest zijn. Maar het kan dat ook niet zijn geweest. Er is veel vertooning van feestvreugde waaraan het Godverheerlijkend gemoed ontbreekt; en zoo welgevallig ons uitwendig vreugdebetoon God ook zijn zal, waar het van een Godverheerlijkend gemoed de uitdrukking is, zoo zeer moet Hem, den heiligen kenner der harten, dat uitwendig vreugdebetoon mishagen, waar dat Godverheerlijkend gemoed niet gevonden wordt. Dat wist Samuël reeds, die tot Saul zeide: "Gehoor^ zaamheid is beter dan offerande!" En hoort hoe de Heer het uitsprak in het gemoed van den profeet Jezaja: "Uwe gezette hoogtijden haat mijne ziel!" Daarom verwondert het mij niet, dat sommigen, vroom van zin, zich aan dien feestdosch, waarmede wij onze stad versierden, ergerden, uitgaande van de zeker wat gewaagde veronderstelling, dat de zaak niet uit een Godverheerlijkend gemoed voortkwam. En daarom luidde het ook bij den Godgewijden zanger: "Loof den Heer, mijne ziel, en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam!" En als dan die lofverheffing der ziel zich in uitwendig feestbetoon had uitgesproken, dan zou de vrome Gods-man het zeker niet hebben afgekeurd, vast verzekerd, dat zij zich dan ook niet daarbij zoude bepaald hebben. Want, en dit moet gij niet vergeten, de ware Godverheerlijking is in haren grond geestelijk van aard, en waar zij dat is, daar is bet haar niet genoeg, om gedurende een paar dagen» in uitwendig vreugdebetoon zich te openbaren, maar daar openbaart zij zich zonder ophouden in vruchten des geestes.

Sluiten