Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods is tot prediker gewijd ; —ook zijn woord mag zijn : „God was in Christus, de wereld met zichzelven verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende"; en ook hij mag de heerlijke zekerheid van de liefde Gods uitspreken en van Godswege bidden: „Laat u met God verzoenen."

Welk een tijding aan den van God vervreemden mensch, welk eene boodschap aan eene wereld, verzonken in zonde, in wrevel en goddeloosheid: Vrede in uw hart, in uw huis, in de wereld; want de groote Vredemaker is verschenen, die den vloek der zonde gedragen en ons met God heeft verzoend.

Hij mag spreken: Jezus Christus heeft den Heiligen Geest voor u en voor mij verworven, die ook den onreinste weder tot een beelddrager Gods kan vormen.

Welk eene roeping! Hoe zal de vredemaker die vervullen ? O niet uit zichzelven, maar door Hem, die zich den waren wijnstok noemt, waarvan de vredemaker een rank is geworden.

Alleen dan echter, indien hij met den Heer nauw verbonden blijft, want Hij heeft nadrukkelijk gezegd: „Zonder Mij. kunt gij niets doen."

Maar met Hem alles. Want heerlijke woorden worden tot den vredemaker gesproken. Hoort slechts: „Indien gij in Mij blijft en mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt zult gij begeeren, en het zal u geschieden." — Ziet welk eene ruime, vrije vergunning om van de macht van Christus te moo-en gebruik maken. De machteloosheid heelt plaats gemaakt voor eene macht, die niet te wederstaan is. De mensch is door de vereeniging met Christus niet slechts in zijn oorspronkelijke heerlijkheid hersteld, maar hij heeft de macht van een kind Gods. — Hij mag hemelsche krachten en vermogens van God begeeren, want hij heeft de roeping om der goddelijke natuur deelachtig te worden.

Lezen wij op de eerste bladzijde der Schrift, dat aan den mensch heerschappij overal het geschapene was geschonken, en was deze zijne macht door de zonde in diepe machte-

Sluiten