Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemrecht der leden te omschrijven en aan art. 2 van het Alg. Regl. op de inrichting en het bestuur der Kerk de volgende 'alinea toe te voegen:

„Stemgerechtigd zijn alle manslidmaten der Gemeente, die belijdenis des geloots afgelegd hebben en niet onder Censure staan, en, wat de stoffelijke belangen betreft, ook zij aan wie in sommige Gemeenten door den Kerkeraad stembevoegdheid is toegekend."

Hetgeen de Syn. Comm. nu met ZEx. wenschte te bespreken zou dus neerkomen op de vraag: _

1°. Of het, alvorens de goedkeuring des Konings op het Algem. Reglement op het beheer der goederen en fondsen te verzoeken, niet noodig is de toegevoegde alinea op art. 2 van het Algem. Reglemént op de inrichting en het bestuur der Kerk ter kennis van Z. M. te brengen, en 2°. Of het niet toestemmen van een klein getal Gemeenten bij de Regeering ook bezwaar zou doen ontstaan om het Algem. Regl. op net beheer der goederen en fondsen aan de goedkeuring van Zijne Majesteit den Koning voor te dragen?

Daarop heeft ZEx. zeer welwillend het volgende geantwoord:

Naar aanleiding van de mededeelingen vervat in Uw schrijven van den 8e dezer aan mij gericht, heb ik de eer Uweleerw. het volgende te berichten:

1°. De voorgenomen wijziging of aanvulling van art. 2 van het indertijd aan de Regeering kenbaar gemaakte Reglement op de inrichting en het bestuur der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, behoort te gelijkertrjd met het nieuw in te voeren Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen op den voet van het tweede lid van art. 1 der wet van den 10 September 1853 (Staatsbl. N°. 102) ter kennis des Konings te worden gebracht.

2°. Die kennisgeving behoort te geschieden vóór of bij het in werking brengen der nieuw te maken bepalingen bij adres aan den Koning, geschreven op gezegeld papier, en door alle hoofden of bestuurders van Uw Kerkgenootschap onderteekend.

3*. Eene goedkeuring door den Koning van de bepalingen van bedoeld Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen zal, ingevolge het derde lid van art. 1 yan bovengemelde wet, alleen afhangen van de vraag of er zich onder die bepalingen bevinden, die de medewerking van het Staatsgezag vereischen.

4°. Zoolang de Regeering mitsdien geen kennis draagt van den inhoud van bedoeld nieuw in te voeren Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen, kan de vraag niet worden beantwoord of eene koninklijke goedkeuring yan een of meerder daarin vervatte bepalingen zal worden vereischt en casu quo zal worden verleend.

5°. De omstandigheid, dat enkele Gemeenten van Uw Kerk-

Sluiten