Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«iediestelsel, indien zij eenvoudig volstaan kon met te zeggen: ik bedeel niet, en het hlootelijk daarvan, "op aanvrage," kennis geven aan het burgerlijk bestuur?

Maar er is meer nog. — Die vrijheid, als de bedoeling de Wetgevers aan te nemen, zou onvermijdelijk leiden tot de ongerijmde gevolgtrekking, dat hij bedoeld had het beginsel der Wet te vernietigen en hare werking volstrekt denkbeeldig te maken.

Wat toch zou het praktisch gevolg dier vrijheid zijn, in verband met het subsidiestelsel?

Men stelle: eene Diakonie vraagt subsidie, niettegenstaande de bezwarende voorwaarden daaraan "verbonden." Zij vraagt die, omdat zij haren natuurlijken werkkring gaarne "geheel en voldoende" wil vervullen. De burgerlijke Gemeente, door den Minister bij Circulaire opmerkzaam gemaakt, dat het de bedoeling der Wet is: "een' langzamen "overgang te verkrijgen tot algeheele kerkelijke of bijzondere liefdadigheid" — en "dat de subsidiën een wezenlijk kwaad zijn" — besluit, öf op grond van Art. 60, öf op grond van onmagt, öf ook zonder daarvan reden te geven, — tot weigering.

Men stelle wijders, dat eene of meer Diakoniën, ten gevolge dier weigering, ophouden, hare Armen geheel of gedeeltelijk te ondersteunen; en wanneer deze zich nu tot het burgerlijk Bestuur om hulp wenden, het laatstgenoemde aan de Diakonie vrage: kunnen die Armen bij n hulp erlangen?

Men stelle eindelijk, dat zoodanige Diakonie alsdan zou kunnen volstaan, met te antwoorden: neen: —

Wat zou dan het praktisch gevolg zijn:

1°. Het Raadsbesluit tot het niet geven van subsidie zou feitelijk opgeheven zijn.

2°. De werking der Wet zou geheel denkbeeldig, ja feitelijk onmogelijk zijn; want de burgerlijke Gemeente zou de Armen, die zij in den vorm van subsidie 1 niet meende te mogen of te kunnen sten-

1 Het wezenlijk kwaad van het subsidiestelsel wordt in de Wet zóó sterk op den voorgrond gezet, dat, in Art. 61, aan Gedeputeerde Staten, bij de beoordeeling van de besluiten der Gemeenteraden, wordt opgedragen: "toe te zien, dat niet dan bij "volstrekte onvermijdelijkheid subsidiën verleend worden ■— en alle maatregelen, "waartoe zij bevoegd zijn, te nemen om de vermindering er van te bevorderen."

En toch — zou de Diakonie, aan welke öf door het Gemeentebestuur öf, later, door Gedeputeerde Staten subsidie geweigerd was, slechts hebben te zeggen: "ik be"deel niet," om, in plaats van tot de geweigerde subsidie, de burgerlijke Gemeente tot regtstreekschen onderstand te noodzaken??

Sluiten