Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heer bkodwek heeft gelijk! Maar ten opzigte van die fondsen dan toch — die fondsen "door het Voorgeslacht" voor de Armen bestemd — zon de Staat (omdat de Diakoniën in den Staat zijn) regt van toezigt blijven honden, en wettelijk kunnen vaststellen: "dat, zoo "ten gevolge van zoodanige daad der Kerkbesturen de rente dier fond"sen slechts tot ondersteuning van een, ware 't ook nog zoo klein, "aantal Armen toereikende waren, — die Armen ten minste zouden "zijn kerkelijke Armen, niet Staats-Armen; en alzoo van zijne zijde "geenerlei onderstand of hulp hadden te wachten, dan voor zoover "noodig zou zijn om de zamenleving tegen verstoring te beschermen."

Dat zij dus de "tweede" betrekkelijke vrijheid die de Diakoniën hebben!

De derde is, dat zij, in meerdere of mindere mate, hetzelfde kunnen doen, door het beperken van den kring waarin zij werken, in overeenstemming met de middelen, die zij èn door erfmaking hebben verkregen èn door "inzamelingen" verkrijgen. De "Wet eischl het inzenden der Reglementen. Die Reglementen alzoo moeten den maatstaf opleveren van den eisch lot Armverzorging, dien de Staat doet aan de Diakoniën. Het ligt in de magt van deze, die Reglementen in te rigten, zoo als zij begeeren. Kunnen zij, voor de eer van het Kerkgenootschap en voor hun Godsdienstig gevoel, het aan zich zelve en aan hunne Lidmaten verantwoorden, — zij mogen dien kring zoo eng trekken als zij willen. Binnen dien kring echter helpt de Staat alweder in geenerlei opzigt.

Dat is dus de "derde" beperkte vrijheid, die de Diakoniën hebben! En nu de vierde?

Zij kunnen, bij 't ontbreken van middelen en bij den wensch om toch, voor zooveel zij meenen noodig te zijn, voldoende in den nood van al hare Armen te voorzien — "geldelijke subsidie" vragen van den Staat. Deze bewaakt dan echter niet alleen het gebruik dier subsidiën, maar ziet ook toe, dat de eigene middelen en inzamelingen der Diakonie met zoo veel zorg beheerd, met zoo veel opwekking der Lidmaten verzameld, met zoo veel overleg en wijsheid besteed worden, dat de noodzakelijkheid der subsidie zoo veel doenlijk vermindere, zoo spoedig mogelijk ophoude.

Eindelijk nog heeft de stad Amsterdam, als eene afzonderlijke, door de "Wet niet verbodene, vrijheid of gunst (hoe ge 't noemen wilt), in hare "Verordening op de geneeskundige Armverzorging" getoond, bóven dat alles, de Diakoniën "zijdelings" te willen helpen, door hare eigenaardig grootere inrigtingen voor algemeene Armenzorg, tegen "kleine tegemoet-

Sluiten