Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

storting op Golgotha, eii — hij bidt iiiet te vergeefs: nZijt mij genadig, q God F

Dit behoort er toe, om de tekstbede regt te bidden. Laat ons nu de gepastheid der bede aan deze uitgangen des jaars overwegen.

Maar hebben wij dan aan de uitgangen des jaars niets anders, niets beters te doen dan om genade te bidden? Geliefden! Iets beters zou ik, na lang overdenken, niet weten te noemen, maar dat er nog niet wat anders te doen zou zijn, zal ik geenszins ontkennen. Ja, ik bevestig het, er is, er is nog wat anders te doen. Is er niet een reeks van drie honderd vijf en zestig dagen achter ons, allen gekenmerkt van eene goedertierenheid, barmhartigheid, langmoedigheid, zoo als de Oneindige die bewijzen kan alleen? Wat een goddelijk geduld is er niet met ons geoefend ieder uur! Welk een goddelijke zorg is er niet aan ons besteed ieder uur! Welk een goddelijke hoede en bewaring hebben we niet ondervonden ieder uur! Wat rampen en gevaren werden niet voor ons en de onzen afgewend! De Heere heeft rijken en armen gemaakt, dit heeft zich het gansche jaar onder ons bevestigd. De rijken hebben, maar bij grooter verantwoordelijkheid, een overvloedig en rijk genot der aardsche goederen gehad, maar ook de niet rijken, de behoeftigen zelfs, hadden toch een dak om onder te verblijven' een kleed om aan te trekken, brood om te eten; en beide rijken en -armen zijn eiken rustdag in de gelegenheid gesteld geweest om zich rijkelijk van alle geestelijke goederen uit 's Heeren volheid te voorzien. Helaas, dat aan memgeen die aangeboden goederen niet behaagden, dat getuigt niet tegen den Heere, maar 't getuigt slechts van hun geestelijken wansmaak, waarover zij zich te verootmoedigen heb-

Sluiten