Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten dage toen zij geboren werd, uw vader was een Amoriet en uw moeder was een Hethiƫr (Ezech. 16 : 8) en daarom vertreden in het bloed, wegens erfelijke en dadelijke schuld. Evenwel dit kon het wonder Gods te meer verhoogen, als zijn vrije liefde in haar is geopenbaard geworden tot zaligheid.

Het meisje, waarvan wij onze kinderen melden, werd geboren op den 13den Maart van het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1868, om hier in deze groote wereld te worden voorbereid voor een zalige eeuwigheid.

Voorspoedig mocht het opgroeien en alles was het bewijs van Gods goedheid over haar. Zij betoonde in haar kindsche dagen bijzondere leerzaamheid. Van haar zevende jaar af heugt het de ouders, dat zij indrukken had van dood en eeuwigheid, en vroeg daarom gedurig aan den Heere om bekeerd te worden Ja, somtijds waren de gedachten aan den dood voor haar zoo verschrikkend, dat zij aan hare ouders vroeg om voor haar te bidden, dan durfde zij niet gaan slapen voor het in haar bijzijn was geschied. Dan was het somtijds in haar oogen of de Heere haar maar zoo zoude weg nemen zonder dat zij tot Hem bekeerd was. Zij betoonde ook een groote eerbied voor Gods woord. Altijd was zij hierin bezig te onderzoeken. Het volk van God, daar was haar mond altijd vol van, en werd door haar bemind en gelukkig geacht. Men kon in haar altijd iets aantrekkelijks boven andere kinderen bespeuren.

Toen zij den ouderdom van elf jaar bereikt had, deden zich bij haar treurige verschijnselen voor, zooals men dit gewoonlijk zegt, maar na dezen verstaan, zullen wij het gelukkig noemen, daar de Heere haar naar zijn weg en raad zoude gaan afbreken om voor eeuwig te bouwen. Het middel hiertoe was, dat zij in de maand Aug. bloed opbracht, waardoor zij hevig ongesteld werd. Door deze omstandigheid werd haar toestand nog veel erger, en haar bede was, dat de Heere haar mocht bekeeren, en ofschoon zij weer eenigzins herstelde, bleef dat altijd haar behoefte, zoodat zij hier veel over sprak met hare moeder.

Zoo geschiedde het ook op zekeren keer, dat zij een kindertraktaatje had gelezen, 't welk schreef van een vuurregen op de kermis, welke al de kermisgasten zou verteren. Daar was zij zoo over aangedaan, dat zij niet durfde gaan slapen. Zij bad: Och Heere, neemt mij niet weg, want ik ben nog onbekeerd, en terwijl zij zoo in haar kinderlijke eenvoudigheid werkzaam was,

Sluiten