Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toefde en dat had zij Hem aangeklaagd. En nu had met gunstige ooren haar God op haren wenseh gelet. Zij dan, zoo door den Heere getroost zijnde in het blij vooruitzicht op zijn belofte, zong met haar broertje deze gezegende Koning toe uit Ps. 72 : 10. Dan zal, na zooveel gunstbewijzen,

't Gezegend heidendom 't Geluk van dezen Koning prijzen.

Die Davids troon beklom. Geloofd zij God, dat eeuwig wezen,

Bekleed met mogendheén; De Heer, in Israël geprezen, Doet wondren, Hij alleen. Dat was nu de taal van haar hart om dezen Sions Koning te verheffen en te prijzen, dat Hij haar de belofte had gedaan van eenmaal gewisselijk te zullen komen en niet achter te blijven.

Als nu bij gelegenheid het volk des Heeren bij haar kwam, dan was haar mond hier vol van, dan moest zij het vertellen, wat voor bemoeienis den Heere met haar had gemaakt. Maar dit zou echter niet lang zoo voortgaan, spoedig werd zij op een ernstige wijze bestreden. Zij begon te twijfelen, en zij meende dat zij alles maar gelezen had. Doch als voorheen, bracht haar dit ook wederom in behoefte aan de voeten van den Heiland, dat Hij haar toch mocht doen zien of zij zich bedroog. En het behaagde Hem, die nooit geen kinderen heeft afgewezen als zij in oprechtheid tot Hem kwamen, ook haar niet af te wijzen. Neen, daar dringt zijn gebiedend troostwoord in haar hart: «Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woord zal geenszins voorbijgaan." Dat beurde haar zoo op, dat zij zeide: dat is waar ook Heere! Al gaat alles voorbij. Uw woord dat gaat geenzins voorbij. O! dat maakte haar zoo bij vernieuwing hopende, dat Hij zijn beloften van te komen en niet achter te blijven aan haar zoude vervullen, ofschoon het haar na enkele dagen weer ontzakte, en bij vernieuwing haar nooden moest gaan klagen aan Hem, die de zwakheid van zijn kinderen kent, omdat Hij zelfs is verzocht geweest. Daarom vluchtte zjj 'ook nooit naar menschen, want zij wist en kende ook dit versje, Ps. 146: Vest op Prinsen geen vertrouwen, Daar gij nimmer heil bij vindt. Neen, zij zeide: Och Heere! Ik heb alles wat mijn hart begeert, maar een ding ontbreekt mij nog; och! dat Gij mijn be-

Sluiten