Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij haar ten antwoord gaven dat ze jaloersch op haar waren, zeide zij: ja, maar de Heere leeft en is er ook voor u nog en gij moet er om bidden. En als deze zeiden dat zij er ook niet meer aan doen konden, antwoordde zij: neen, dat kunt gij ook niet, want er zal er geen een komen, die de Heere niet wil hebben; maar daar zal er ook geen een achterblijven, van degenen, die Hij wil hebben; maar gij moet bidden.

Zoo kwam er ook een man, welke aan de ouders vroeg, of hij hun dochtertje eens mocht zien. Als hij door de moeder aan de bedstee was gebracht, groette hij haar en zeide: Wel Marie, hoe gaat het, zijt gij niet bang om te sterven? Neen, antwoordde zij, want de Heere heeft mij bekeerd. Maar hoe staat het met u, hebt gij uw knieën al voor den Heere gebogen? Zijn antwoord was neen. Wel, zeide ze, dan wordt het hoog tjjd voor u, want gij kunt toch zoo niet sterven. En al kondt gij dit, dan is de Heere het nog zoo waardig. De man ging weenende weg; mocht het voor hem een spoorslag zijn om den Heere in oprechtheid te zoeken en te vinden. Zoo was zij in dien morgen voor een ieder die er kwam, een trouwe vermaanster, om de slechtigheden te verlaten en te treden op den weg des verstands. Ja, groot en klein ontving door haar een boodschap van den Heere. Ja moeder, zei ze, ik moet mij vrij maken van de menschen; want de Heere is 't zoo waardig en Hij is voor mij zoo goed. En nu moet ik zij n raad maar uitdienen en dat wil ik ook. Wat de Heere doet is goéd. Och, wat heb ik niet menigmaal tot den Heere geroepen. Och, werd mijn ziel door u gered. En nu heeft Hij mij gered en uitgeholpen; want o, de Heere ondersteunt mij zoo in al mijn lijden en smart. En al ben ik nu arm, ik ben toch rijk. Ik heb nooit geweten, dat er zooveel zaligheid en dierbaarheid in dien lieven, dierbaren Heere Jezus was. Want zijn vrede laat en geeft Hij mij, o, had ik Hem nog maar eer leeren kennen. Zij lag maar te spreken over dien vrede. Die vrede ging haar alle verstand te boven, daarin zou zij nu eeuwig deelen. Nu kon ze zingen zei ze: »Nu ga ik op tot Gods altaren, tot God, mijn God, de Bron van vreugd."

Zij betuigde nu niéts liever te hebben dan den Heere, van Hem hield zij het meest. Als haar oudste zuster bij haar kwam en vroeg, hoe het ging, o, antwoordde zij, goed, o! gij moest het eens voelen, hoe goed ik het heb. Och, Maartje ! zei ze, vraagt toch aan den Heere om bekeerd te worden. Meid, meid, gij kunt toch zoo niet sterven. Gij moest het eens weten, hoe goed de Heere is, Zijn

Sluiten