Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sel heet, hoe groot en magtig ook, de verhevenste aars-engelen, toonen, magten, die krachtige helden, die Zijn woord doen, zijn eindige wezens, die hun aanzijn van Hem ontvangen hebben. Koningen en Vorsten, hoe «rroot en geëerd op aarde, zijn als niets bij God, Hij snijdt den draad huns levens af als druiventrossen. Geheele volken zijn bij den Heere als een droppel aan den emmer, als een stofje aan de weegschaal. Welke zalige oogenblikken zijn het voor de vrienden en vriendinnen des Heeren, waarin zij alles buiten God als ongenoegzaam zien, zoo dat zij niets in het schepsel vinden, waarin zij volkomen zouden kunnen rusten, of waarop zij zich zouden kunnen verlaten. Wanneer de Heere hun volzalige God, het eenig algenoegzame deel voor hun hart is, en zij zich zoo in Hem verlustigen mogen met grooten vrede, wat zien zij dan wel in God! oy welk een algenoegzaamheid, om al de schatkameren hunner zielen te vervullen, welk eene magt, wijsheid en goedheid om hen te leiden, te besturen en te bewaren. Is het te verwonderen, dat zij dan met diepen eerbied en ontzag voor dat hooge, heilige en heerlijke wezen vervuld zijn? dat zij eene innige liefde voor hunnen God in hun gemoed ondervinden? Het is niet uit te spreken wat zij dan gevoelen, de wereld kent het niet, de werelddienaar mag rijkdom, eer en aanzien in dit leven bezitten en genieten, hij mag zich baden

Sluiten