Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn vleesch en mijn hart, zoo is God do Rotssteen van mijn hart; en mijn deel in eeuwigheid.

Ik wil nu nog kort en eenvondig, bij hetgeen ik omtrent der godvruchtigen eenige troost in leven en in sterven heb aangemerkt, een woord ter opwekking voegen.

Wanneer men vele menschen eens afvroeg: welke is uw eenige troost in leven en in sterven ? welk antwoord zouden verre de meeste helaas! hier op vóórtbrengen? Er zonden er niet weinige zijn die (wanneer zij de taal van hunne harten spraken) zouden betuigen: dat hun etmige troost lag in de bezitting, vooral in de vermeerdering van hunne aardschè goederen. Een groot aantal zouden erkennen dat in de begeerlijkheden, de vermaken, de wellusten dezes levens, en wat niet al meer? met één woord, in de dingen van dit leven, hunnen troost, en hoogste genoegen bestaat. Och! waarin zoekt de dwaze mensch, die door de zonde verblind is, zijnen troost, zijn hoogste goed al niet. Maar als wij het opgenoemde onpartijdig beschouwen, kan het dan voor den mensch die voor de eeuwigheid geschapen is, zijnen waren troost uitmaken, in dit moeitevolle leven, voor al in de ure des doods. Hoe dikwerf toch begeeft reeds hierop aarde datgene waarin de dwaze sterveling zijnen waren troost meende gevonden te hebben , waarin hij het hoogste goed dacht te be-

4*

Sluiten