Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onverschrokken spreken Matth. 6 : 2, 5, 16; 21 : 43; 23 : 13—28.

Vriendelijke bejegening van de menschen, omdat hij oog had voor het goede in ieder Matth. 9 : 36; 11 : 28; Luk. 7 : 36 - 50 (de zondares bij Simon den melaatsche); 15 : 1 v.; 19 : 1—8 (Zacheüs); 21 : 1—4 (de weduwe in den tempel). — Vgl. Matth. 12 : 18—21.

Qeene ontmoediging noch verbittering Matth. 23 : 37; Luk. 9 : 51—53; 23 : 24.

Geen zelfverheffing Mark. 10 : 18.

Liefde voor kinderen Luk. 18 : 15—17.

Waaruit blijkt mede Jezus' gemoedsadel?

Welke vraag stond altijd bij J. op den voorgrond, en waarnaar vroeg hij niet?

Hoe gedroeg hij zich, wanneer hij in aanraking kwam met menschen van meer aanzienlijken stand, met eenvoudigen, met zondaars ? — Hoe onder teleurstelling en bij vijandige bejegening?

Hoe dacht hij van zich zelf?

Van wie hield hij veel?

§ 11. Jezus' verhouding tot de leidslieden des volks in zijn tijd.

Aanvankelijk werd Jezus door de leidslieden, althans door de Farizeesche partij, d. i. door de Schriftgeleerden en hun aanhang, niet onwelwillend bejegend. Hij ging met sommigen hunner vriendschappelijk om, en werd eens door hen gewaarschuwd, dat hem gevaar dreigde.

Langzamerhand evenwel, toen zijne richting in godsdienstig opzicht duidelijker aan den dag trad, veranderde hunne stemming jegens hem. De Farizeërs deden nog een oogenblik moeite om hem tot andere 'gedachten te brengen, maar zagen daarvan weldra af, omdat zij telkens in twistgesprekken de minderen

Sluiten